Feature —

Bergeyk als model voor de wereld

Harrie van Helmond

Is deze intrigerende titel voor een avondje lezingen onder auspiciën van Arie van Rangelrooy een vorm van ‘glocal’ denken? Nee, het bleek een oefening in associatief interpreteren. Harrie van Helmond doet verslag

Arie  van Rangelrooy (Architecten EN-EN) kreeg deze avond de kans zijn persoonlijke fascinatie voor 'stoffigheid' uit de doeken te doen. Stoffigheid moet hier begrepen worden als het gewone; het gewone dat we niet meer zien door alle aandacht voor het bijzondere, het gedesignde.

Bergeyk, waar Van Rangelrooy's wortels liggen, is een Brabantse gemeenschap waar al tientallen jaren een coëxistentie tussen het agrarische, industriële en artistieke bestaat. Als niet-katholiek – een uitzondering in de kleine gemeenschap – leerde hij van een afstand te kijken naar wat anderen gewoon vonden, met als belangrijkste mentale fenomenen op de plaatselijke kaart: de melkfabriek 't Stoom, het klooster, de coöperatieve weverij De Ploeg (architect Gerrit Rietveld en tuinarchitect Mien Ruys), de coöperatieve meubelfabriek Het Spectrum (Martin Visser), de wederopbouwwijk Jeruzalem (moderne architectuur met platte daken voor de arbeiders van de Ploeg) en grootscheepse agrarische herverkaveling.

De overeenkomst in contradicties tussen Bergeyk en Eindhoven betreft het samengaan van traditie en moderniteit: katholicisme en protestantisme (heidenen), agrarisch verleden en grootindustrie. Beide vormen groene enclaves; zijn contravormen van de stad. 'Eindhoven als grootste dorp van Europa' (workshop structuurvisie Eindhoven) of zoals Koolhaas de kaart van Nederland benoemt: 'tabula rasa in pixelvorm'.

Van Rangelrooy illustreerde zijn verhaal met de hilarische vestiging van het wereldrecord tractoroptocht opgevoerd voor een vermelding in het Guiness book of records. Een aantal jaren gelden verzamelden zich uit het hele land 2000 tractoren op de velden bij Bergeyk waar een parkoers was uitgezet, begrenst door honderden boerenkarren met publiek erop. Door het parkoers ontstond een choreografie voor 2000 boerenwerktuigen waar de visuele congestie, gepaard gaande met een oorverdovend sonoor geluid en een bedwelmende diesellucht, de banale recordpoging verhief tot een absurde sacraliteit.

Analoog hieraan introduceerde Van Rangelrooy het begrip Tractorarchitectuur. Zoals de tractor een werktuig is waar van alle onderdelen de functie is af te lezen, zo noemde hij het huis (gebouw) een verzameling huishoudelijke artikelen. Dit werd toegelicht met voorbeelden van gerealiseerd en niet gerealiseerd werk. Hoewel die bouwwerken inderdaad soms een dosis 'stoffige' eigenwijsheid uitstraalden, bleek de tractor-analogie eerder een aantrekkelijk hulpmiddel voor de architect zelf, dan dat het leidde tot een geheel nieuwe architectuurvorm. Wat dat betreft waren getoonde referenties, zoals die van laat-modernist Stirling, overtuigender.

Hans de Wit
Arcanum/Arcadia

Beeldend kunstenaar Hans de Wit begon zijn bijdrage ook autobiografisch. Geboren en getogen op een boerderij die plaatst moest maken voor het Evoluon, ontvouwde hij zijn stellingen over de Schuur als broedplaats. Zijn werk, bestaande uit gigantisch grote tekeningen, bleek inderdaad de link naar de huisvesting van expanderende denkkracht in schuren te kunnen vertalen. In een reeks van zich steeds verder ontvouwende lattenbouwsels ontstond er een sterk naar New Babylon verwijzende virtuele wereld zonder grenzen. Ook hier was het agrarische de basis voor een wereldwijde expansie.

Stedenbouwkundige Herman Kerkdijk ontvouwde onder de titel Muren (zie bijlage) een verhaal over de afbraak van Eindhovense muren (Philips, tabaksindustrie, Picus) en het in de plaats daarvan komen van een allesbepalende fysieke en mentale infrastructuur. De stad is sinds het beëindigen van haar industriële periode opengeklapt en haar nieuwe identiteit moet nog steeds vastgesteld worden. Hij pleitte voor het accepteren van wat Eindhoven al is: intelligent saai en opportuun.

In een reactie op het Tractorverhaal schreef Guust de Bie (secretaris gemeentelijke monumentencommissie) de volgende dag:

'Voor de tijd van de gebeurtenis moest even een stad gebouwd worden.

Was dat niet gebeurd, had de 'stedebouwkundige' organisatie geen wegenpatroon uitgelegd, waren de 2000 tractoren (de 'bewoners' van de stad) na de recordvestiging gewoon naar huis gegaan, zij hadden geprobeerd de congestie te vermijden en dus niets nieuws ervaren. Zij zouden bijtijds ontdekken dat er geen 'stad is (…….).

Op een van de dia's zag je dat, terwijl de tractorslinger zich aan het opbouwen was (de geplande stad), op de achtergrond een congestie was, nl de wachtende tractoren die in blijde verwachting wellicht met elkaar al iets gezelligs hadden. Maar wel in afwachting van. Niet het loutere 'op een grote hoop', maar de idee van stad heeft het primaat als het gaat om organisatie. Niet veel bij elkaar roept iets interessants op maar de wil om iets te gaan ondernemen. Al die toeschouwers langs de kant in Bergeyk, die de poging tot het vestigen van een wereldrecord wilden bewonderen, reageerden op een idee, daarna werd een stad gebouwd en pas toen konden de tractoren rijden. Er zou geen record gevestigd zijn zonder idee en zonder parcours. Je krijgt geen 2000 tractoren spontaan bij elkaar en alleen maar om een grote hoop te maken. Schoorvoetend bekende Koolhaas onlangs dat 'toekomststeden' als Lagos toch enige stedebouwkundige onderlegger nodig hebben. 'Zij kunnen en willen niet alleen om hun loutere XXL hoedanigheid existeren.'