Opinie —

Het wilde dilemma

Piet Vollaard

Naar aanleiding van de tentoonstelling ‘De stad, de kloof en de regels, over de onmogelijkheid van planning’ in de Haagse galerie Stroom wordt de vraag gesteld of we wel zonder enige vorm van planning kunnen. En zo ja, hoe dat dan te organiseren.

Van ‘wild’ naar ‘vast’, vier fasen in de ontwikkeling van illegale straathandel in belgrado, van ‘carbootsales’, naar losse kramen, naar standaard kramen tot ‘stolling’ in baksteen

Eén van de problemen van de ruimtelijk ontwerpende vakgebieden  – van architectuur tot stedenbouw –  is dat je moeilijk een werkelijk riskante hypothese in de praktijk kunt toetsen. Het is in de wetenschap niet ongebruikelijk om een proef te doen waarvan van tevoren met een redelijke waarschijnlijkheid valt te voorspellen dat de uitkomst catastrofaal zal zijn. Van dergelijke voorspelbare fouten valt veel te leren. Dit soort proeven nemen we echter niet graag met mensen of met gebouwen en al helemaal niet met complete steden.

Er wordt al langere tijd gespeculeerd over de vraag in hoeverre steden in staat zijn tot een zeker vorm van zelforganisatie. Is planning – het met een vooropgezet en van bovenaf opgelegd plan reguleren van de groei van steden en grotere agglomeraties en passant elke dissidente groei uitsluitend – eigenlijk wel noodzakelijk voor de groei en het functioneren van de stad? Zou het niet veel slimmer, efficiënter, democratischer, liberaler, of desnoods spannender zijn om te streven naar een 'spontane' groei? Zijn steden in staat tot zelforganiserend gedrag? En zo ja, is planning dan niet alleen een overbodige, maar zelfs schadelijke discipline?

Nog even afgezien van de vraag wat zelforganiserend gedrag feitelijk is, is deze vraag moeilijk te beantwoorden omdat er om bovengenoemde redenen nooit een serieuze poging is gedaan om deze vraag met een praktijkproef op grote schaal te onderzoeken. Er moet wel een onvoorziene, van buitenaf op de stad afkomende catastrofe gebeuren, wil de praktijktoets die de het zelforganiserend vermogen van de stad werkelijk en diepgaand onderzoekt ooit tot stand komen.

Het is zo gezien een geluk bij een groot en tergend ongeluk dat Belgrado precies zo'n catastrofe onderging. Bij alle ellende die over de stad heen kwam, vervulde Belgrado – een doorsnee, redelijk welvarende stad op westerse leest, zoals er in Europa, zowel voor als achter het voormalige ijzeren gordijn, zo veel zijn – ongewild een laboratoriumfunctie en werd de stad het podium van niet één maar vele 'wilde' praktijktoetsen tegelijk.

De processen die op gang kwamen nadat Belgrado zo'n tien jaar geleden van de ene op de andere dag in een bestuurlijk vacuüm en een maatschappelijk pandemonium belandde, zijn door verschillende architecten nauwkeurig in kaart gebracht. Na een aanvankelijke toestand die sterk aan het straatleven en de daarbij behorende informele economie van ontwikkelingslanden deed denken, zijn er 'spontane' ontwikkelingen op gang gekomen die in de loop der jaren hebben geleid tot een nieuwe min of meer stabiele stedelijke, economische en sociale structuur. Maar nu één die 'van onderop' tot stand is gekomen. De stad zonder planning blijkt onder bepaalde omstandigheden vitaler dan menig bestuurder denkt. Er gaat een grote aantrekkingskracht uit van een dergelijke spontane groei – ik ben er zelf eveneens vreselijk gevoelig voor – maar het dilemma is dat de mensensoort zich nooit ongewild in de catastrofe zal storten. En die catastrofe zou wel eens een noodzakelijke voorfase van een werkelijk wilde toekomst kunnen zijn.

Maar waarom streven naar het totale pandemonium? Er valt zonder dat ook al veel van het wilde Belgrado te leren. Bijvoorbeeld dat we niet al te bang behoeven te zijn voor het spontane. Een zekere mate van vertrouwen in de vitaliteit van niet volledig van 'bovenop' opgelegde ontwikkelingen is sindsdien op zijn plaats. Structuren die ontstaan als gebruikers ook echt participanten zijn – en niet louter consumenten van het geplande product – kunnen zich ontwikkelen tot systemen die een stuk flexibeler, weerbaarder en duurzamer zijn dan de 'op ons' geprojecteerde structuren. Een dergelijke innovatie lijkt echter het best te gedijen bij een soort 'snelkookpanconditie'. Het is de vraag of er binnen de huidige Nederlandse politieke context voldoende ruimte gelaten zal worden voor het bewust creëren van een dergelijke – al of niet gecontroleerde – laboratoriumtest. Voorzichtige pogingen in die richting – welstandsvrij bouwen en de broedplaatsenstrategieën – zijn in die zin op microschaal misschien zinvol, maar waarschijnlijk zo 'gevaarloos' dat ze door het huidige planningsestablishment waar het gaat om de macroschaal gemakkelijk terzijde kunnen worden geschoven.

Als het neer zou komen op een keuze tussen 'het vuil' (de catastrofe die noodzakelijk is om spontane groei te genereren) of 'de weelde' (resultaat van een gecontroleerde, geplande maatschappij?), dan is deze snel gemaakt. Maar misschien is er een tussenweg, een strategie die het dilemma neutraliseert.