Recensie —

Brussel en het bottom-up urbanisme

Bert de Muynck

Op vrijdag 21 februari werd op ‘Bruxel Glocal’ de Brusselse ‘thirdspace’ onder de loep genomen. Men speurde naar de potentie van ‘de stedelijke interventie’, naar scheuren in het weefsel en hybride stedelijkheid. De organisatoren haalden buitenlandse projecten – ‘formele en informele’ – voor het voetlicht en presenteerden die als mogelijkheden voor Brussel. De clash tussen lokaal en internationaal, de zogenaamde glokalisering, werd minutieus toegelicht en Erik Swyngedouw, Michael Keith, DJ Thibault, Lieven de Cauter, Josep Acebillo en Wouter Vanstiphout mochten voorlezen uit eigen werk.

Op de conferentie ‘Bruxel Glocal’, georganiseerd door City Mine(d) en Bureau de Micro-Urbanisme in het Paleis voor Schone Kunsten, werd de kloof tussen de stedelijke theorie en de heersende architectuurpraktijk duidelijk. Maar eerst positief nieuws, het initiatief – enige in zijn soort – bracht verschillende Brusselse belanghebbenden samen, van academici tot opbouwwerkers, van Vlamingen tot Walen, en dat in een open sfeer. Hierdoor werd lokale Brusselse verdeeldheid de rug toegekeerd en gezocht naar grensoverschrijdende oplossingen, wat voor de toekomst enkel globaal goed nieuws betekent. Op de conferentie werd duidelijk dat ‘glokalisering’ – ‘de mondiale integratie gaat hand in hand met lokale differentiatie, polarisatie en uitsluiting’ (E. Swyngedouw) – als idee de architecturale pendant van ‘no logo’ ambieert, maar moeilijk te illustreren is door de vele a posteriori visies die de hedendaagse architectuur en stedenbouw kenmerken, en dat niet alleen in Brussel. Theoretisch is de idee toepasbaar op Brussel, waar de spanning tussen haar Europese, Navo en federale ambities een tegengewicht krijgt door een interculturele beschaving en op alle niveaus marginale stedelijke visie. Het gebrek aan inzicht én de cultivering van de desinteresse leidde tot een even desperate als visionaire stad waarvoor de conferentie ons een uitweg beloofde.

Tijdens de voormiddag werd het publiek opgevoed met tendensen in de politiek-economische en cultureel-sociale globaliserende verstedelijking, de namiddag werd gevuld met geanimeerd voorstellingen door lokale en internationale architecten. De actuele theoretische tendensen werden uit Angelsaksische hoek benaderd en waar het ‘urban management’ als leidmotief gold. De spanning tussen de ambities van een beleidsmatige aanpak, de ‘urban governance’, werden voortreffelijk gekruist met de dagdagelijkse realiteit van de mogelijkheden die spontaan uit het publieke domein ontspringen. De haast hard-core focus op de politiek die voormiddag leidde tot de academische vaststelling dat ieder ‘urban management’ zowel internationale tendensen als lokale initiatieven in één beleid weet te verenigen. Toegepast op een stad als Brussel had Erik Swyngedouw (University of Oxford) het over ‘reacapturing the urban as embodiment of jouissance’. Michael Keith (Goldsmiths University of London) stelde de volgende pertinente vraag: ‘What can totality of the city mean, when we don’t know where it ends or starts?’ Gelukkig kwam hij wel met inspirerende voorbeelden als stedelijke projecten van Asian Dub Foundation en hun Community music-label.

In de namiddag mocht Josep Acebillo voor een getraumatiseerd Brussels publiek het succesverhaal van een kwart eeuw ‘urban management’ in Barcelona uitleggen. Het debat achteraf werd even venijnig als onkundig gevoerd. Lieven de Cauter stelde Barcelona simplistisch voor als ‘the city of spectacle’ en het ‘glokale’ succes van Barcelona werd verkocht als het generische destillaat van ‘internationale’ tendensen. Weinigen in Brussel beseffen dat Barcelona een voorbeeld is voor de strategische vertaling van een stedelijke ambitie in een hedendaags beleid, en dat los van de esthetische en architecturale vooringenomenheid. Duidelijk werd, in tegenstelling tot de idee van de conferentie, dat een politieke top-down benadering en bewustwording van een stedelijk beleid beter weerwerk bieden tegen zowel globale als lokale onbezonnenheid – en die een plaats geven – dan het is om lokaal weerstand te bieden tegen globale tendensen. In dat laatste scenario wordt de stad gewoon overspoeld of droog gelegd. Het falen van die éénzijdige bottom-up benadering werd toegelicht door praktijkvoorbeelden, al was dat allicht niet de bedoeling van de organisatoren. Zo mocht Wouter Vanstiphout (Crimson) het ‘Heruitvinden van de Stad en Glocale Stedelijke interventie’  met de stedelijke opleuking van ‘WIMBY!’ verduidelijken. In de wandelgangen van het PSK werd het failliet van die benadering besproken, ‘Wreckages in Metropolis and Backward Yarning’ noemde iemand hun prozac-stedelijkheid.

Interessante kansen boden de benaderingen die de interventie als tijdelijke en ruimtelijke toe-eigeningen van stedelijke condities beschouwden. Zo belichtten Andrea Membretti en Lorenzo Tripodi de mogelijkheden van de ‘autogestione’ en publieke voorzieningen op verlaten industriegebieden. Volledig in de lijn van de tijdelijke herinrichting van gebouwen door krakers en vrijbuiters en de introductie van open leefgemeenschappen werden de mogelijkheden van een bottom-up stedelijke benadering geïllustreerd in een Italiaanse context. Hier geen aspiraties tot een algemene stedelijke verandering vanuit de onderbouw, maar levendige en realistische lokale initiatieven in niemandsland die leidden tot open sociale en culturele mogelijkheden. In dezelfde lijn lag het project van de kunstenaar Tristan Wibault waarin hij zijn visie op een ‘ambassade universelle à Bruxelles’ toelichtte.

De interessantste Brusselse nieuwtjes vielen buiten de conferentie te vernemen. Terwijl gefocust werd op de micro-interventie, gaf de Brusselse Minister-president honderd meter verder een eigen invulling aan het concept ‘bottom-up stedelijkheid’. Zijn alibi om een van Brussels modernistische monumenten ‘de lottotoren’ uit 1962 te slopen, is puur esthetisch. ‘In de historische kern van Brussel staan een aantal torens uit de jaren vijftig en zestig die het uitzicht ontsieren, omdat ze boven hun omgeving uittorenen.’ Dezelfde man die Koolhaas subtiel uit Ground Euro manoeuvreerde, getuigt nu van een te benijden visie en positie, genre ‘hedendaagse gebouwen hebben een levensduur van dertig jaar’, die niet gevolgd worden door even extreme visies, maar Brussel zal opzadelen met een zoveelste neo-historische klucht. Maar ook positief nieuws uit Brussel. De soap ‘Koolhaas in Brussel’ krijgt een vervolg. Rem Koolhaas werd aangetrokken door Paul Dujardin, directeur van het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, om binnenkort zijn visie op de architecturale herinrichting van Victor Horta’s meesterwerk toe te lichten. Het wordt afwachten of zijn stedelijke interventie zal leiden tot een broodnodige ‘glokoolhaasisering’ – idee: de mondiale koolhaasisering gaat hand in hand met lokale differentiatie – van Brussel.