Feature —

Het Experiment

Redactie

Onder de wat onzeker klinkende titel Het Experiment heeft Rijksbouwmeester Jo Coenen een nieuw initiatief gelanceerd dat is bedoeld om pas afgestudeerde ontwerpers een brede praktijkervaring te laten opdoen.

Nederland heeft een probleem, het architectuuronderwijs, met name zoals dit gedoceerd wordt op de Nederlandse Technische Universiteiten, sluit niet aan bij de beroepspraktijk. Afgestudeerden zouden wel fraaie concepten kunnen verzinnen maar niets weten van acquisitie, detailleren, regelgeving, bestek schrijven et cetera. Deze situatie is in enkele van de ons omringende landen anders. Hier mogen afgestudeerden pas de architectentitel voeren nadat men enkele jaren praktijkervaring heeft opgedaan.

Nu is de constatering dat er tussen het onderwijs en de praktijk enige discrepantie heerst niet nieuw. Het is een veel gehoorde klacht dat pas afgestuurde ontwerpers binnen het bureau of door vallen en opstaan in de eigen praktijk pas echt leren omgaan met veel zakelijke en organisatorische aspecten die onontbeerlijk zijn voor het voeren van een architectuurpraktijk.  Een aantal jaren terug werd het – inmiddels ter ziele gegane – Praktijkbureau Architectuur en Stedebouw (PAS) opgericht. Dit initiatief van de overheid, onderwijs en de BNA was er op gericht om de kloof tussen opleiding en praktijk te dichten. PAS moest sluiten wegens gebrek aan belangstelling van zowel studenten als werkgevers. Afgestudeerden waren verplicht een dag per week naar school te gaan en dienden aan het einde van de twee jaar een werkstuk te produceren. Daarbij werd ook nog een bijdrage van de werkgevers van de deelnemers gevraagd.

Het nieuwste initiatief 'Het Experiment' komt opnieuw van de overheid, met participatie van de BNA en enkele architectenbureaus. Het is de bedoeling dat pas afgestudeerden binnen een bureau onder begeleiding van een mentor (architect) een tweejarig 'ervaringsprogramma' doorlopen waarin de belangrijkste fasen uit de praktijk (acquisitie, ontwerp, bouwvoorbereiding en bouwuitvoering) aan bod komen. Hiertoe wordt een individueel opleidingsprogramma opgesteld. Anders dan bij PAS – waarbij deelnemers voor een deel een apart onderwijsprogramma buiten het bureau volgden –  is er in dit geval geen strak programma dat moet worden doorlopen. De deelnemende bureaus hebben – binnen het gegeven dat de aankomende 'praktijkarchitect' met alle fasen van het proces in aanraking moet komen –  een grote vrijheid in de wijze waarop ze aan dit experiment deelnemen en de manier waarop het wordt ingevuld. De naam Experiment is wat dat betreft juist gekozen: het project zal 15 augustus van start gaan en na twee jaar geëvalueerd worden.

Hulde voor dit initiatief, het gebrek aan aansluiting tussen onderwijs en praktijk is een wezenlijk probleem en elk initiatief dat daar een oplossing voor tracht te vinden is de moeite waard. Toch blijven er een aantal vragen. Allereerst lijkt Het Experiment  – wellicht ingegeven door het al te strikte PAS-initiatief – nogal vrijblijvend. Deelnemende bureaus krijgen geen vergoeding voor de extra aandacht die ze aan hun werknemer zullen moeten geven. Aan de deze bureaus kunnen dan ook geen al te strikte eisen worden gesteld en falend mentorschap kan niet worden afgerekend. Aan het meedoen aan het praktijkprogramma kunnen dus vooralsnog geen wettelijke consequenties worden verbonden, zoals bijvoorbeeld de eis dat alleen een 'praktijk-natraject' recht geeft op inschrijving in het Architectenregister. Daarnaast lijkt Het Experiment weinig te hebben geleerd van tenminste één reden waarom PAS faalde: de afhankelijkheid van de arbeidsmarkt. Enige jaren geleden was er volop werk voor pas afgestudeerden en mede daardoor weinig animo voor deelname. Op dit moment zou het gebrek aan arbeidsplaatsen op de bureaus wel eens een rol kunnen gaan spelen. Ook hier zou een zekere vergoeding aan deelnemende bureaus, die de afgestudeerden in loondienst moeten nemen, kunnen helpen.

Ook zou men zich de vraag kunnen stellen of er niet met de verantwoordelijkheden wordt geschoven. De verantwoordelijkheid voor het opleiden in de praktijk wordt nu wel erg eenzijdig bij welwillende architecten(bureaus) gelegd. Moet het onderwijs op de Technische Universiteiten en de Academies misschien anders worden ingericht en tenminste voor een deel van het programma worden gericht op de (zakelijke en organisatorische) beroepspraktijk? En moet bijvoorbeeld stage niet weer verplicht worden? Heeft niet iedere architectuurstudent recht op goed onderwijs dat enigszins aansluit bij de praktijk en zou dat niet onafhankelijk moeten worden gemaakt van de arbeidsmarkt en de goede wil van architectenbureaus?