Feature —

Pionier in de Bijlmer

Lotte Haagsma

Van fotograaf Theo Baart is een nieuw fotoboek verschenen. ‘Territorium’ is een portret van de Bijlmermeer en de ingrijpende veranderingen die deze wijk de afgelopen jaren onderging. Tegelijkertijd is het een verslag van Baarts eigen kennismaking met de Bijlmermeer als woonplaats.

Het boek begint met een tekst van Baart waarin hij vertelt waarom hij met zijn gezin naar de Bijlmermeer verhuist en wat hij en zijn twee zonen meemaken tijdens het settelen in hun nieuwe buurt. Zij gaan er in 1997 wonen, verjaagd uit het centrum van Amsterdam door gebrek aan ruimte en torenhoge huizenprijzen. In de Bijlmermeer kunnen ze gemakkelijk een mooi huis betalen in een nieuwbouwblok ontworpen door de architecten Claus en Kaan. Nieuwsgierig maar ook wel argwanend begint Baart aan dit avontuur, waarbij hij zijn twijfels bezweert door zich te verdiepen in de geschiedenis en problematiek van de Bijlmermeer. Hij zegt het niet in de tekst maar ik vermoed dat het maken van de foto’s eenzelfde en misschien nog wel doelmatiger bezwerende functie voor hem heeft.

Een citaat uit een gesprek met wethouder Elsenburg van Stadsontwikkeling van de gemeente Amsterdam in De Courant Het Nieuws van de Dag van 29 november 1966 toont het optimisme over de nieuwe wijk: ‘Een stad geprojecteerd op het geluk van de mensen, die er wonen. (…) Een situatie, waarin de overgang van binnenshuis naar buitenshuis geen verschil is tussen vagevuur en hel, maar een rustige, weldoende overgang van een eigen, behaaglijk milieu naar een half-beschermd tussenstadium.’

Dat ‘tussenstadium’ was in de Bijlmermeer gericht op de voetgangers en fietsers die een autovrij maaiveld tot hun beschikking hadden. Auto’s reden over een verhoogde dreef naar de parkeergarage waar vanuit men de lift door een binnenstraat kon bereiken. Maar deze organisatie van de (semi)openbare ruimte werd één van de oorzaken van de problemen waar de wijk mee te kampen kreeg. De ‘tussenruimtes’ werden het domein van drugsverslaafden en dealers. De wijk werd een doorgangshuis voor nieuwkomers uit alle delen van de wereld. Iedereen die het beter kreeg verhuisde naar de beter bekend staande woongebieden rondom Amsterdam. Vanaf het begin kampte de Bijlmermeer met leegstand.

Sinds begin jaren negentig wordt de Bijlmermeer rigoureus aangepakt, een groot deel van de flats wordt langzamerhand vervangen door laagbouw. Er wordt niet meer sterk centralistisch gewerkt, het gebied is opgedeeld en verschillende projectgroepen buigen zich over hun eigen deelgebied.

De foto’s waar het boek uiteindelijk om draait – Baart fotografeerde in de periode 1995-2002 – vertellen het verhaal op hun eigen manier. Aan het begin staan prachtige foto’s van de ‘oude’ Bijlmermeer met zijn enorme flats, robuuste infrastructuur en verwaarloosde groene openbare ruimte. In tegenstelling tot het beeld dat de meeste Nederlanders, inclusief ikzelf, van de Bijlmer hebben, zijn de foto’s niet agressief of hard. In het avondlicht verzachten zelfs de meest onpersoonlijke flats zich en krijgen een bijna warme uitstraling. Bomen met kale takken tekenen eigenzinnige patronen tegen de achtergrond van eentonige appartementen.

De foto’s zijn afstandelijk maar verre van koel. Schoonheid kan men ook ervaren op een plek die voor de meeste mensen synoniem is met ‘probleem’: verwaarlozing, drugsoverlast, illegaliteit, criminaliteit, een vliegtuigramp en allochtonen uit alle hoeken van de wereld.

Als Baart en zijn gezin het huis betrekken verschijnen de foto’s met mensen en vooral veel kinderen in het boek. Prachtig is de foto van zijn twee zoontjes dicht tegen elkaar aangedrukt, vol bewondering maar ook een beetje angstig, kijkend naar de groep street wise jongens die naast hen op het muurtje hangt. Eerder in het boek staat een foto van een warmrood bakstenen huizenblok in aanbouw tussen door de wolgeverfde Bijlmerflats. Baart laat zien dat zowel zijn zonen als het nieuwe huis zich nog een plaats moeten bevechten in deze niet altijd even gastvrije omgeving.

Verderop zie je dat dit uiteindelijk aardig lukt, de jongens krijgen vrienden en poseren daarmee zelfverzekerd tegen een hek. De woningen verdedigen hun gebied met hekjes aan de stoep en weelderig groene tuintjes aan de achterkant.

De foto’s zouden ook zonder de tekst kunnen, en de tekst zonder de foto’s. Dit is een compliment: beide elementen uit het boek zouden zonder elkaar kunnen maar vullen elkaar tegelijkertijd goed aan. De foto’s lijken niet echt de hardheid en het aanwezige gevaar over te brengen. Elementen waarover in de tekst wel verslag wordt gedaan. Het cameraoog van Baart is zachtmoediger en meer opzoek naar de schoonheid van het alledaagse dan zijn pen kan zijn. Baart is dan ook geen journalistiek fotograaf maar een kunstenaar.

Het is een ontroerend boek dat een positief beeld van de Bijlmer geeft zonder de harde en nare kanten ervan te willen verbloemen. Eerlijk vertelt Baart dat het hem tijd en zorgen kost, maar dat hij uiteindelijk vrede sluit met de Bijlmer. Het is eigenlijk een heel optimistisch boek. Baart gelooft in de Bijlmer en de moeilijkheden die hij en zijn gezin tegenkomen lijken hem alleen maar vastbeslotener te maken dat dit de plek is waar hij wil leven.

Het boek sluit af met een serie beelden van de openbare ruimte en het openbare leven in de Bijlmermeer. Van een straatfeest, na het betrekken van het woonblok van Claus en Kaan, tot het Kwakoefestival dat Surinamers uit het hele land trekt. Daartussen foto’s van straten in verschillende jaargetijden, van collectief schuttingen neerzetten in achtertuinen, picknicken in het Bijlmerpark, de zangvogeltjesvereniging en de markt bij het winkelcentrum. De Bijlmermeer als een levendige wijk met een heel eigen kleurrijke identiteit. Het boek is daarmee, naast het verslag van een pionier, ook een manifest tegen het failliet van de multiculturele samenleving.