Recensie —

Regiospecifieke Architectuur

Redactie

Op 17 april vond het symposium ‘Regiospecifieke Architectuur’ plaats waar onder meer de resultaten van het onderzoeks- en ontwerpwerk van zeven bureaus werden gepresenteerd.

De regio als inspiratiebron voor architectuur: wat zijn eigentijdse vormen voor woningbouw geïnspireerd op cultuurhistorische en landschappelijke elementen, en hoe kunnen architectonisch provincialisme en historische imitaties worden voorkomen? Kan streekeigenheid de eenvormigheid in de hedendaagse woningproductie doorbreken? Kan dit ook zonder te vervallen in goedkope nostalgie? Dat waren vragen die leefden bij de initiatiefnemers SEV, VROM en Stimuleringsfonds voor architectuur. Zeven architecten(bureaus) bogen zich over deze vragen en kregen daarbij ieder een streek in Nederland toegewezen om 'ontwerpend onderzoek' te verrichten.

de ontwerpen

Krill onderzocht in samenwerking met Claudia Linders de regio Walcheren en maakte de studie 'Alledaags Walcheren'. In Walcheren vragen twee zaken om aandacht: het toerisme dat vooral gericht is op de kust en een ogenschijnlijk gebrek aan ruimte. Volgens Krill kan men door het mengen van functies en het flexibel omgaan met seizoensgebonden activiteiten tot een 'eigen' benadering van de situatie in Walcheren komen.

Ruimtelab richtte zich op de Groningse Veenkoloniën. Het is een van de weinige gebieden in Nederland waar geen sprake is van ruimtegebrek. Wel is er weinig werk en het gemiddeld inkomen is laag. Ruimtelab reageert op deze situatie door een stoere en nuchtere architectuur voor te stellen. Niet geïnspireerd op het verleden maar gebruik makend van het heden: een relatief lage grondprijs en het bouwen met goedkope industriële bouwtechnieken.

Het Friese Weidegebied werd toegewezen aan Onix die het benaderde volgens de ontwerpmethode 'Fryske DogmA', in navolging van het DogmE manifest van de Deense filmmaker Lars von Trier.  Onix ging uit van de historische wierde als plaats van beschutting. Ze ontwierpen een nieuw dorp met een historische structuur, maar met hedendaagse architectuur.

De Bommelerwaard werd door zowel 2012 architecten samen met Stealth group als door Scape onderzocht. Het gezamenlijk aanknopingspunt voor hun ontwerpen is de dreiging van het water: niet tegen maar met het water. Scape maakt woonenclaves in het potentieel natte gebied. Ze bestaan uit het bekende boerenerf met nieuwe standaard woningbouw die zijn ingesteld op overstroming.

2012 architecten en Stealth group zien de wetlands als uitdaging en laten ze niet alleen vollopen bij overstrominggevaar. Ze ontwierpen voor dit gebied een sluiswoning die medeverantwoordelijk is voor de bescherming van het gebied en een pijlerhuis dat zo georganiseerd is dat het bij iedere waterstand blijft functioneren.

Daf-architecten namen het boerenerf als kenmerkend uitgangspunt voor de regio Twente. Het erf als een collectief en multifunctioneel veld dat zich teweer stelt tegen de omgeving. Daf wil de nostalgie niet vermijden maar inzetten in een zoektocht naar een verloren regionale identiteit en de strijd tegen de huidige generieke ruimtelijke ordening.

'Krèk wa'k wou' noemt Urban Affairs hun ontwerp dat de 'Brabantse hypocrisie' – een romantische illusie in een verstedelijkt landschap waar de technologiesector de traditionele boer verdringt – als uitgangspunt neemt.  Het ontwerp pleit voor versplintering van het landschap tot een superdorp waarin landelijk wonen in een hoge dichtheid mogelijk is.

reflectie

Koos Bosma (VU Amsterdam) gaf een lezing met als titel 'Regiospecifieke Architectuur: Pompeii voorbij', waarin hij zich vooral richtte op de manier waarop er in de woningbouw omgegaan wordt met cultuurhistorie. Hij begon met een citaat van Goethe die tijdens een verblijf in Italië een bezoek brengt aan Pompeii. Bij zijn terugtocht naar Rome komt hij langs nieuw gebouwde huizen die precies dezelfde vorm en inrichting vertonen als de huizen in Pompeii. Eeuwen lagen er tussen Pompeii en het Italië dat Goethe bezocht, maar er was niets veranderd in de manier van wonen. Dat is in Nederland – en niet alleen daar –  sinds het begin van de twintigste eeuw drastisch anders, vernieuwing werd het grote streven.

Een aantal elementen viel Bosma op in de zeven gepresenteerde projecten. Goed vond hij de nieuwe typologieën en kavelverdelingen die waren ontwikkeld, de bijzondere aandacht voor het alledaagse en het omgaan met (in plaats van het  vermijden van) bestaande risico's. De aandacht voor het passeren van de tijd, voor de seizoenen en dag en nacht vielen hem op en het afscheid dat werd genomen van de zones: één functie op één plek. Kritiek had Bosma op de veronderstelling dat landbouw zomaar overgaat in wonen: Hoe voltrekt zo'n proces zich? En hoe reëel is de vermenging van wonen en werken op het platteland, waar gebeurt dat op een nieuwe manier?

Echt jammer vond hij de beperkte aandacht voor de cultuurhistorie, er was op dat vlak heel oppervlakkig onderzoek gedaan. Hij pleitte voor meer aandacht bij het ontwerpen voor de kennis van de geschiedenis van een plek, niet alleen van wat zich boven het maaiveld bevindt maar ook daaronder. Daarmee zouden architecten en stedenbouwers hun ontwerp beter kunnen verankeren op een plek. Daarnaast zou een kritisch regionalisme nodig zijn in de bouwnijverheid (in tegenstelling tot de bestaande oppervlakkig nostalgische), om de productie van het afwijkende mogelijk te maken.

Marc Santens (Vlaams Adjunct Bouwmeester) wees in zijn verhaal op het gevaar van het verwarren van regiospecificiteit met nostalgisch historische identiteit. Een neiging die in Vlaanderen opkwam toen het zocht naar een onderscheidende identiteit ten opzichte van het Frans georiënteerde Wallonië. De 'Vlaamse stad' was een verzameling clichés die vooral bestond uit beelden als de trapgevel, de kassei en een smeedijzeren hek. En ook Vlaanderen kent zijn 'boerderette', in de vorm van de 'fermette'.

Santens pleitte voor authenticiteit als alternatief voor een nostalgisch historische regiospecificiteit. Opdrachtgever en ontwerper moeten een individuele relatie aangaan met de karakteristieken van een plek. Daarbij moeten zowel landschappelijke, culturele als historische elementen een rol spelen.

Als weerslag van het onderzoek is de publicatie Sprekend of Vanzelfsprekend? uitgegeven met daarin de zeven studies van de bureaus en teksten van Ivan Nio, Peter Michiel Schaap en Paul Groenendijk.