Feature —

Architectuur en propaganda

Redactie

Dinsdag 13 mei vond ter gelegenheid van de publicatie Jaarboek Architectuur 2002-03 een debat plaats met als titel Architectuur en Propaganda. Ondanks de vele misverstanden en de daar op volgende welles-nietes discussie was het een vermakelijk avond. Een kort verslag.

Voor het debat waren Roemer van Toorn (redacteur Jaarboek), Janny Rodermond (directeur Stimuleringsfonds voor architectuur), Kees Christiaanse (KCAP), Erick van Egeraat (EEA), en Christan Rapp (Rapp + Rapp) uitgenodigd. Uitgangspunt voor het debat vormde het essay Propaganda en de terugkeer van het ornament dat Roemer van Toorn schreef voor het jaarboek. Hierin stelt hij dat onder de invloed van de beeldcultuur het design steeds belangrijker is geworden in de architectuur. Hedendaagse architectuur zou alleen nog maar naar zichzelf verwijzen. Architecten steken hun energie en talent in het ontwerp om dit een mooi design te laten zijn, maar zetten deze energie en talent niet in om werkelijke maatschappelijke sociale vraagstukken aan de orde te stellen. Anders gesteld: Design versluiert de werkelijke maatschappelijke thema's. Anderzijds, zo meent Van Toorn, laat de alom tegenwoordigheid van design geen ruimte voor andere interpretaties.

Janny Rodermond vond dat beeldcultuur een fenomeen is van de jaren negentig en over haar hoogtepunt heen is. Was beeldcultuur al van invloed op de architectuur dan deed het in ieder geval geen recht aan de werkelijkheid van de bouwcultuur. Ze stelt dat dit Jaarboek, zowel wat betreft de essays als de opgenomen projecten, als sluitstuk gezien moet worden van de vorige eeuw.

De beeldcultuur vormt volgens Kees Christiaanse daarentegen nog steeds een belangrijk onderdeel van de architectuur; architecten bekijken de afbeeldingen in het Jaarboek en lezen zelden de essays.  Hij vraagt zich af wat echter nieuw is aan deze constatering. Beeldcultuur is immers een vorm van communicatie. Het is daarom niet verwonderlijk dat architecten zich daar van bedienen.  In de eerste edities van de jaarboeken lijkt de architectuurproductie homogener te zijn. Dit kwam omdat opdrachtgevers min of meer dezelfde ideeën hadden. Het 'paradoxale' van deze tijd is, aldus Christiaanse, dat juist door de sociaal democratie de welvaart is toegenomen en daarmee de veelvormigheid van de architectuurproductie, en als gevolg daarvan de invloed van de beeldcultuur; pluraliteit leidt tot individualisatie.

Christian Rapp stelde dat ideologie in deze tijd moeilijk denkbaar is en vroeg zich af of dit de architecten te verwijten valt. De kritiek van Van Toorn vergeleek hij met Goethe's Tovenaarsleerling. Eerst worden toverbezems geschapen maar wanneer die een eigen leven beginnen te leiden probeert de tovenaarsleerling (Van Toorn) tevergeefs het proces te stoppen.

Erick van Egeraat vroeg zich af wat nu eigenlijk het probleem was. Hij relativeerde de invloed van 'designarchitectuur': het vormt slecht een klein deel het totale bouwvolume en slechts weinig mensen komen in aanraking met dergelijke architectuur. En het feit dat het ontwerp (design) ook een economische waarde heeft, is volgens hem niet echt opmerkelijk. Het gaat niet alleen om de buitenkant. De kwaliteit die aan het exterieur wordt toegedicht, is volgens Van Egeraat wel degelijk ook aanwezig in het interieur van het gebouw.

Vanuit de zaal maakte Aaron Betsky (directeur NAi) bezwaar tegen de negatieve connotatie die Van Toorn aan design gaf. Hij stelde dat architecten juist naar vormgevers moeten kijken omdat zij als geen ander in staat zijn om voor hele directe problemen, hele praktische oplossingen te bedenken. Daarnaast verstaan zij als geen ander de kunst om de alledaagse werkelijkheid middels de beeldcultuur voor mensen interpreteerbaar te maken.

Bjarne Mastenbroek (Search) stelde dat sommige opgaven de architecten geen andere mogelijkheid laten dan het louter ontwerpen van de huid. Als voorbeeld gaf hij de woningbouw waar door alle normeringen, keurmerken, garanties en andere voorwaarden er voor de architect nauwelijks iets te ontwerpen over blijft.

Tot een werkelijk debat kwam het niet ondanks pogingen van voorzitter Bert van Meggelen. De discrepantie en misverstanden tussen Van Toorn en de aanwezige architecten was die avond te groot. De discussie bleef nu hangen in een steekspel waarbij gebouwde voorbeelden werden gebruikt om de argumenten van de ander af te troeven. Wanneer het onderwerp naar een hoger plan wordt gebracht is het misschien mogelijk om een werkelijk inhoudelijke discussie te voeren los van het jaarboek. Een kans die misschien 17 juni wordt gegrepen wanneer Van Toorn op het Berlage Instituut wederom zal spreken over dit onderwerp.