Feature —

De Beurs, een palazzo pubblico

Manfred Bock

27 mei 2003 zou eigenlijk een feestdag moeten zijn in de architectuurkalender van Nederland. Exact een eeuw geleden werd de Nieuwe Beurs op het Damrak te Amsterdam door ‘H.H.M.M. de koninginnen en Z.K.H. prins Hendrik der Nederlanden’ plechtig geopend.

27 mei 1903 werd feitelijk een voor het Nederlandse zakenleven zeer belangrijk gebouw opengesteld – niet meer en niet minder. De architect Hendrik Petrus Berlage moet deze plechtigheid echter ook ervaren hebben als een ode aan en officiële erkenning van zijn nieuwe architectuur. Later vertelde hij wat hem bij het ontwerpen eigenlijk heeft gedreven. Natuurlijk had hij een functionerend beursgebouw willen maken, maar dat was voor hem niet het belangrijkste. Ík heb werkelijk geprobeerd’, zei hij in 1913 tijdens een feestelijke bijeenkomst ter gelegenheid van het tienjarige jubileum van de Beurs, íets voor de vaderlandse bouwkunst te doen. (…) Moge het in de toekomst spreken voor het begin van een grote architecturale kunst in Nederland.’ Deze ambitie echter werd niet door iedereen onderschreven. Van begin af aan heeft de Beurs aanleiding gegeven tot de meest uiteenlopende stellingnamen: van een ‘stuitend-groffe bakstenen loods’ via een ‘document van een overgangsstijl’ tot een ‘baanbrekend werk’ van Europese betekenis.

Naarmate de jaren verstreken voelde men wel dat aan het Damrak een belangrijk gebouw was gebouwd, maar waarin het belang schuilde werd niet echt duidelijk. Vele moderne architecten beschouwden het beursgebouw weliswaar als uitgangspunt en misschien zelfs als ijkpunt voor hun eigen werk, maar de moderne architectuur – Amsterdamse School, De Stijl, Nieuwe Bouwen, Delftse School – is niet te herleiden tot de Beurs. Het gevolg was dat het gebouw geen eenduidige plaats kreeg in de architectuurgeschiedenis en dat maakte het kwetsbaar. Daarboven op kwam nog het pijnlijke feit dat de Beurs – eveneens van begin af aan – met grote bouwkundige problemen te kampen had. Dat doet, ook werd er in de literatuur nauwelijks over gesproken, afbreuk aan de status van een gebouw. De jaren vijftig dreigden fataal te worden voor de Beurs. Een omvangrijke en ingrijpende herstel- en vernieuwingsoperatie was noodzakelijk geworden.

In 1959 nam het gemeentebestuur van Amsterdam het besluit de Beurs te slopen omdat de prijs die voor haar behoud te hoog werd geacht. Toen stak een onverwacht krachtige storm op: ‘Berlage’s Beurs afbreken? een schandelijke gedachte’, schreef architect W. van Tijen en velen bleken zijn mening te delen. Twee jaar later werd het gebouw op de rijkslijst van monumenten van geschiedenis en kunst geplaatst. Daarmee was de Beurs voorlopig gered en Berlage in zijn rol als pionier van de moderne architectuur in ere hersteld.

De notie ‘pionierswerk’ is altijd een kwalificatie achteraf en kan dus niet het wezen van het gebouw onthullen. Waarin ligt dan de diepere, intrinsieke betekenis van de Beurs? Het antwoord op deze vraag is tweeledig. Al in 1898 toen het ontwerp werd gepubliceerd besefte men, hoewel in betrekkelijk kleine kring, in Nederland en vooral ook in Duitsland dat Berlage op het gebied van de monumentaalbouw een revolutionaire daad had gepleegd. Hij had demonstratief afgerekend met de architectuur in stijl, neogotiek, neorenaissance, neobarok enzovoorts, en de daarbij behorende ordeningssystemen en decoratieschema’s. Met deze opzienbarende kritiek had Berlage tegelijkertijd de basis willen leggen voor een nieuwe architectuur. Hieraan ontleende de Beurs haar betekenis als architectonisch kunstwerk. Dat Berlage er uiteindelijk niet in is geslaagd school te maken, behalve dan in de sociale woningbouw, is niet zo relevant, want de door hem veroorzaakte beving in de wereld van de architectuur is belangrijker geweest.

Er is echter nog een andere betekenis die dieper gaat en complexer is dan de uitsluitend architectonische en die ligt besloten in de Beurs als een sociaal-cultureel manifest. Berlage had dichter en criticus Albert Verwey gevraag bij het ontwerp van de Beurs als zijn adviseur op te treden. Dit resulteerde in versregels en kwatrijnen en in een historische studie, getiteld ‘Bijdragen tot de versiering van de Nieuwe Beurs’. Met de in 1897 verschenen studie legde Verwey een literaire bom onder het conventionele begrip beurs, de tempel van het kapitaal, en hij gaf tevens een iconologisch advies dat van fundamentele betekenis was voor de architectonische vormentaal en het beeldprogramma van het gebouw. Uit zijn historische onderzoekingen trok hij namelijk de volgende conclusie: Óok de handel, ook de nijverheid zal vrij worden en de ééne menschheid zal door zelfgeschapen organen zich voeden op de ééne, hààrzelf voedende wijs. Dat zegt dat de handel, wat wij er onder gekend hebben, voorbij zal gaan.’ Volgens Verweys verwachtingen zou de Beurs niet lang meer als beurs dienst doen omdat met de politieke veranderingen ook de economische omstandigheden zich zullen wijzigen en het beursbedrijf overbodig zullen maken.

Op een vraag of het Beursgebouw door de op handen zijnde maatschappelijke veranderingen niet onbruikbaar dreigde te worden zou Berlage hebben geantwoord: ‘O, neen, dan kan het als groot gemeenschapshuis dienen, eerlijk gezegd heb ik mij het altijd in diepste gedachte en verlangen als zóó gekoesterd, ontwikkeld en gedacht’. De consequenties van deze gedachte voor de architectonische vormgeving werden in maart 1898 zichtbaar toen Berlage de ontwerptekeningen presenteerde. Architect Willem Kromhout gaf vervolgens een poëtische impressie van het voltooide gebouw: hij achtte het een ‘waardige tegenhanger ‘van het Paleis op de Dam en ‘herinneringen aan Florence en Siena werden levendig: aan Palazzo Vecchio…’. Berlage beaamde dit in een brief. ‘Ook mij’, schreef hij, ‘kwamen die oude Italiaanse stadhuizen en pleinen voor den geest, toen ik wilde denken aan iets groots…’.

Berlage had dus bewust een gebouw ontworpen dat niet het begrip beurs verbeeldt maar associaties oproept met de in het collectieve geheugen gegrifte archetypische tekens van een goed geordende stedelijke gemeenschap. Hij ontwierp een gemeenschapsgebouw in de vorm van een symbolisch stadhuis dat tijdelijk tot beurs was bestemd.