Opinie —

De hekken omlaag

Remco Daalder

Remco Daalder pleit in zijn column voor Volkstuinen nieuwe stijl.

Laat het woord Volkstuin in een willekeurig gezelschap vallen en de vooroordelen komen los. Volkstuinen. Met metershoge hekken omheinde verzamelingen van op elkaar gepropte huisjes met veel te nette tuintjes. Gesloten, rigide gemeenschappen waar buitenstaanders niet  welkom zijn. Vreemdelingen die de poort durven te passeren worden zonder pardon het terrein afgescholden. Het bestuur van de volkstuinvereniging ziet op oud-communistische wijze toe op naleving van de geboden. Harkt men op tijd de paden, zijn de paardebloemen wel afdoende verwijderd? Niets mag, alles moet. De enige ontspanning is de jaarlijkse klaverjasavond, waar de deelnemers steevast ruzie krijgen. “Een middeleeuwse vorm van ontspanning” noemde een gemeente-ambtenaar onlangs het volkstuinieren, en hij had de lachers en daarmee het gelijk van de dag op zijn hand.

Noem het woord Volkstuin tegen een ruimtelijke ordenaar, en diens ogen gaan glimmen. Volkstuinen, die liggen op begeerlijke plekken grond, niet in stadscentra natuurlijk, maar wel net daarbuiten, op de plekken waar verdicht moet worden en waar je zo graag nog wat woningen, winkels of bedrijven zou willen proppen. Volkstuinen kan je fijn uitplaatsen, van die begeerlijke stedelijke plekken naar het ommeland. Met de gedachte dat je ze daar over twintig jaar gewoon weer uit kan plaatsen. Een woonwijk in een weiland roept protest op, maar wie kan er wat hebben tegen brave tuiniers? En wie zal er later protesteren als je de volkstuinbouwsels weghaalt om er iets grotere bouwsels neer te zetten? De ordenaars zien de volkstuinen als wegbereiders, als voorposten van de verstedelijking.

Tot voor kort dan. Want er verandert iets. Een nieuw soort volkstuinder is in opkomst. De stedelijke tweeverdieners, al dan niet met kind, die willen blijven wonen op driehoog in die leuke artistieke stadswijk, maar die tegelijk wel eens wat lucht willen. Zij combineren hun krappe appartementje met een volkstuintje niet al te ver weg. Zij rebelleren tegen het bestuur van de volkstuin, zij wippen de oude bestuursleden, zij gaan zelf in het bestuur. De volkstuinen openen hun poorten voor wandelaars, voor pauzerende kantoormensen, voor schoolklassen. De volkstuinen gaan bij het stadse leven horen. En daarmee krijgen de volkstuinen verdedigers, ambassadeurs die de media weten te bespelen. Dat bleek bij de behandeling van een nieuw ontwerpstructuurplan voor Amsterdam. De plannen om volkstuinen binnen de Ring aan te wijzen als woningbouwlocatie moesten worden geschrapt. Onhaalbaar. Zo makkelijk verplaats je volkstuinen niet meer.

Niet verplaatsen, dan maar benutten. Veel volkstuinen proberen al iets te betekenen voor stadsmensen die geen lid zijn. Dat zou veel verder moeten gaan. Want waar gaat het bij veel stadsparken mis? Bij het beheer en bij het toezicht. Er is bij stadsparken altijd achterstallig beheer, er ligt altijd teveel zwerfvuil, er is nooit voldoende toezicht. Die drie essentiële zaken zijn in volkstuincomplexen uitstekend geregeld. En nog goedkoop ook. De gemeente hoeft niets te betalen voor beheer en toezicht, integendeel, de beheerders betalen zelf. De volkstuinen kunnen prima stadsparken worden.

Maar dan moet er meer kunnen. Beetje wandelen, prima. Natuureducatie, fijn. Maar een doorgaande fietsroute erdoorheen, waterrecreatie, speelweitjes, aansprekende horeca, af en toe eens een concert of iets nog wilders, dat moet ook maar eens gaan gebeuren. Op zo’n manier dat de volkstuinders er lol in houden. Een mooie ontwerpopgave.

De volkstuinen liggen nog steeds op begeerlijke, dure grond. Ze mogen niet alleen voor een kleine groep plezier opleveren. Ze moeten een zo groot mogelijke groep stadsbewoners gaan bedienen. Dan kunnen het de succesvolste stadsparken van de 21e eeuw worden.