Feature —

Rare jongens, die Amerikanen

Allard Jolles

Alex MacLean fotografeert menselijke sporen vanuit de lucht. Allard Jolles laat zich graag verleiden door de prachtige beelden van Amerika die dat oplevert en die MacLean toont in zijn boek ‘Designs on the land’.

Landschapsarchitect en fotograaf Alex MacLean doet met 'Designs on the land' een geslaagde poging in mijn lijstje lievelingsboeken te belanden. Zijn foto's zijn bijna allemaal fantastisch, ze staan voorbeeldig gethematiseerd en gegroepeerd, en daarbij is het begeleidende proza (James Corner, Jean-Marc Besse) kort, informatief en ter zake kundig. MacLean fotografeert onze planeet bij voorkeur vanuit een vliegtuig. Hij is altijd op zoek naar sporen van menselijke activiteit. In de stad is dat niet zo moeilijk, want steden zijn natuurlijk de ultieme getuigenis van onze aanwezigheid hier. Maar MacLean slaagt er in ook in de grotere landschapsportretten die hij maakt, het menselijk ingrijpen visueel 'tastbaar' te maken. Een weggetje, een spoor van een auto, een aangelegd irrigatiesysteem of een elektriciteitsleiding duiden allemaal op menselijke aanwezigheid. En soms is de mens aanwezig door afwezig te zijn: een afdruk van een reusachtige diamant in het gras blijkt een in onbruik geraakt honkbalveld. Op dat soort platen wordt de landschappelijke dynamiek verbeeld, krijgt de wegwerpmaatschappij een waarschuwende vinger en komt de menselijke sterfelijkheid akelig dichtbij.

Dynamiek

Het verbeelden van tijd is belangrijk voor MacLean. In een door hemzelf geschreven tekstje, 'sense of time', legt hij uit hoe hij de tijd in zijn foto's krijgt. En dat blijkt niet zo ingewikkeld. Soms is het overduidelijk in welk seizoen de foto is gemaakt. Een besneeuwde parkeerplaats vertelt een ander verhaal dan eentje in de zon. Soms is het tijdstip van de dag van belang, met ochtendmist of avondzon als beeldbepalend element. Soms laat hij het overwoekeren door de natuur van een bepaalde plek zien, zodat aan de hand van de vegetatie duidelijk wordt in welk stadium van ontwikkeling het landschap zich bevindt. En soms laat hij ploegsporen zien, die over elkaar heen lopen en zo 'voor' en 'na' verbeelden. Maar zijn favoriete thema's zijn 'komen' en 'gaan'. De eerste zit vooral in de hoofdstukken 'sprawl', 'housing' en 'city grid', het tweede vooral in 'abandonment', 'energy' en 'parking'. Welbeschouwd hadden alle hoofdstukken 'grid' in de titel kunnen hebben, want Amerikanen zijn er dol op. Kapotte ijskasten, sloopauto's, oude vliegtuigen, vakantiehuisjes, sinaasappelbomen of vrije woestijnkavels: alles staat of ligt in strak gelid te wachten op een koper. Alleen de vrije natuur en het pretpark, de ultieme 'fun experience', lijken gridloos.

Geheimen

De fotografie is in alle hoofdstukken evengoed, de beste tekstbijdrage is het verhaal 'Aerial Geography' van Jean-Marc Besse. Hij geeft les in landschapsgeschiedenis en cultuur in Versailles en Genève, maar – dat blijkt uit de tekst – is evenzo goed ingevoerd in filosofie, architectuurgeschiedenis het besturen van een vliegtuig met een camera aan boord.

De foto's van Alex MacLean zijn daarom zo goed, omdat ze volgens Besse de 'best bewaarde geheimen van het landschap' blootleggen. Goede luchtfotografie laat ons niet alleen de wereld zien, maar levert er ook kritiek op. Tegelijkertijd laat Besse zien hoe vluchtig luchtfotografie is. Het is 'virtuele' fotografie, want het standpunt van de fotograaf is niet vaststaand, het is geen plek. Maar het stelt de beschouwer wel in staat naar de aarde te kijken, zoals hij of zij gewend is de wolken te observeren. En zo is het aardoppervlak de zoveelste spiegel van menselijk handelen, een spiegel die alleen in functie is als we hem niet aan kunnen raken, namelijk vanuit de lucht.

Besse heeft het ook over het verschil tussen natuur en cultuur. Onbelangrijk, stelt Besse, want er is geen natuur zonder menselijke invloed, en het feit dat we nog vrije natuur hebben, is immers ook een menselijke keuze. Wie de foto's van MacLean ziet, is direct overtuigd van de juistheid van deze stelling. Maar vooral in de Verenigde Staten, waar de natuur nog overvloedig aanwezig lijkt, is voorzichtigheid geboden. Er wordt met ruimte gesmeten alsof het niets is. Slopen en op de zelfde plek iets nieuws bouwen? Belachelijk. Wonen aan het water midden in de woestijn? Geen probleem. Bergen aftoppen voor een paar huisjes? Doen we. En bouwen in hoge dichtheden is natuurlijk dertig woningen per hectare, je mocht eens wakker worden van het aanslaan van de ijskast van de buren. Onze Vinex-wijken zijn hoogtepunten van duurzaamheid vergeleken bij al die 'culs-de-sac' voor nieuwbouw in de vorm van een blinde darm. Blindedarmstedenbouw? Nee, te positief, die term. Ik kies voorlopig voor lintwormstedenbouw. En die beeldspraak hoef ik hopelijk niet voor u uit te leggen.