Recensie —

Frampton Compleet

Piet Vollaard

Kenneth Frampton behoort tot het selecte gezelschap van gewaardeerde en veel gelezen architectuurcritici van de laatste decennia. Zijn belangrijkste essays zijn onlangs samengebracht in de ‘best of’ publicatie ‘Labour, Work and Architecture’

Zoek op Kenneth Frampton in de online boekwinkel Amazon en je krijgt meer dan 90 titels. Frampton schrijft veel, dat staat vast. Overigens bestaat een groot deel van die vermeldingen uit monografieën waarvoor hij de inleiding schreef en moet aan die hoeveelheid ook weer niet al te veel waarde worden gehecht. Maar er staan ook een paar standaardwerken tussen. Met name zijn historisch-kritisch overzicht van het modernisme: 'Modern Architecture: A Critical History' uit 1980 (herzien in 1992) is veel vertaald en wordt op onderwijsinstellingen veel gebruikt.

Ergens in de driehoek architectuur-onderwijs-kritiek moet Frampton worden gepositioneerd. In de inleiding van 'Labour, Work and Architecture' begint hij enigszins verontschuldigend: 'Those that can do, do and those that can't teach, runs the old adage that discriminates […] between the rival provinces of theory and practice. I feel this to be of particular pertinence in my case for although I was initially trained as an architect […] I have devoted most of my life to architectural education.' Naast onderwijzer ziet hij zichzelf in de eerste plaats als architectuurschrijver, en niet zozeer als architect, architectuurhistoricus, -theoreticus of -criticus. Na zich aldus te hebben ingedekt vervolgt hij dat het natuurlijk geen toeval is dat de essays in het boek zijn geordend onder de noemers: theorie, geschiedenis en kritiek. Ondanks de veelschrijverij zijn er voldoende teksten waarin hij wel degelijk een kritisch/theoretisch standpunt inneemt.

Centraal in Framptons kritiek staat het werk van Hannah Arendt. Haar boek 'The Human Condition' ziet Frampton zelf als cruciaal voor zijn denken over architectuur. Het eerste essay in 'Labour, Work and Architecture' behandelt dit thema. Ahrendts onderscheid in sociaal-politieke en culturele zin tussen arbeid en werk (labour en work)  kan volgens Frampton licht werpen op de 'time-honoured but invariably confusing distinction between building (process) and architecture (stasis)'. Architectuur heeft daarbij als voornaamste lading en betekenis het creëren van het publiek domein waarbinnen Ahrendts derde cruciale term 'handeling' (action: veel vertalingen van The Humen Condition zijn getiteld: Vita Activa) zich afspeelt. Handelingen tussen mensen onderling, de polis als fysieke en institutionele voorwaarde voor democratie, en de vertaling daarvan naar (het proces van) creatie van het publieke domein, dat is de achtergrond waartegen Framptons geschreven oeuvre in zijn ogen moet worden gezien. Overigens klinkt dit alles zwaarder dan het in de praktijk uitpakt. Framptons positie links van het midden, in de buurt van de Frankfurter Schule is onmiskenbaar – al was het maar omdat hij er zelf steeds op wijst – maar daar heb je als lezer nauwelijks last van.

Naast dit politieke thema, zijn er nog twee constanten in Framptons teksten: de Plek en Tektoniek. De kritische positie die reflectie op de plaats in de architectuur kan hebben, wordt uiteengezet in het essay 'Towards a Critical Regionalism: Six Points for an Architecture of Resistance'.  Frampton behoort, met onder meer Alexander Tzonis en Liane Lefaivre, tot de schrijvers die in een kritisch regionalisme een positie zien waarbinnen een politieke, kritische houding in de architectuur nog steeds mogelijk en zinvol is. De discussie hierover stamt uit het begin van de jaren tachtig, maar is mijns inziens nog steeds houdbaar. Het is een van de weinige zinvolle posities van weerstand tegen het hedendaagse platte formalisme, tegen de design-cultuur, en tegen de vervlakkende werking van de globalisering. Wie daarnaar op zoek is kan beginnen met het (her)lezen van deze teksten.

De 'vergeten' positie van tektoniek en van de poëzie van de constructie komt aan bod in het essay 'Rappel a l'Ordre: The Case for the Tectonic', maar wordt veel uitgebreider uitgewerkt in het boek: Studies in Tectonic Culture: The Poetics of Construction in Nineteenth and Twentieth Century Architecture' (1995). Het is opnieuw – maar nu meer geredeneerd vanuit het vak zelf – een vorm van weerstand tegen 'the current tendency to reduce architecture to scenography. This reaction arises in response to the universal triumph of Robert Venturi's decorated shed; that all too prevalent syndrome in which shelter is packaged like a giant commodity.' Verplichte stof voor architecten met aanleg voor of zin in techniek en materialisering. Het biedt ze een onverwacht sterke kritische achtergrond van waaruit ze hun werk zouden kunnen verdiepen.

Bovengenoemde kritische thema's vormen in kwalitatieve zin weliswaar een belangrijk onderdeel van Framptons geschreven werk, maar niet in kwantitatieve: Frampton is een (architectuur)schrijver. Na de vijf inleidende theoretische teksten volgen een stuk of twintig uiteenlopende essays, deels historisch, deels besprekingen van recente architectuur. Daaronder zitten veel klassiekers: over (de ideologie van) Team10, (de Franse connectie van) Louis Kahn, de andere (regionalistische) Le Corbusier, Maison de Verre (waar een team studenten van Harvard onder leiding van Frampton fantastische tekeningen maakte) en nog veel meer, waaronder natuurlijk besprekingen van Framptons favoriete architecten Ando, Botta, Siza en Moneo.

Enigszins weggestopt in de inleiding is daarnaast nog de tekst 'On the Predicament of Architecture at The Turn of the Century' te vinden. Wie op zoek is naar een nieuwe houding in de architectuur, naar een uitweg uit de vervlakking of een rijk thema voor tekst of debat kan zich alvast inlezen over de thema's De Media en het Vak, De nieuwe Stad, Duurzaamheid, De Plek of de verhouding Traditie en Innovatie.

Alleen daarom al een boek dat niet in de boekenkast mag ontbreken. Genoeg plaatjes gekeken de laatste jaren, er is nu tijd: Lezen!