Opinie —

Adieu Paleis voor Volksvlijt

Fred Feddes

Fred Feddes’ allesomvattende pleidooi voor het behoud en hergebruik van de Nederlandse Bank op het Frederiksplein in Amsterdam en tegen de weemoed naar en herbouw van het Paleis voor Volksvlijt.

1 Paleis voor Volksvlijt 1892 (foto Jacob Olie)
2 Royal Exhibition Building Melbourne (foto Gregory Nolan)
3 Nederlandsche Bank 1968

In de Amsterdamse Museumnacht van 2 november 2002 stond Wim T. Schippers met enkele getrouwen in een zaaltje hoog in het voormalige ABN Amro-kantoor aan de Vijzelstraat. Ze keken verstild en verliefd naar een maquette van het Paleis voor Volksvlijt. Tijdens een rumoerige discussie, een paar verdiepingen lager, was hun plan om het Paleis te herbouwen hardhandig over tafel gegaan, maar hier waren ze weer onder elkaar. En wat was ze mooi!

Het was een ontroerend tafereel. Achteraf gezien was dit misschien wel het hoogtepunt in de geschiedenis van de stichting die Schippers in juni 2002 oprichtte met als doel de wederopstanding van het in 1929 afgebrande Paleis. De stichting bestaat een jaar, en dat is een verstandig moment om ermee op te houden.

Want het herbouwplan is, hoe jong ook, inmiddels een droom uit een ander tijdperk geworden. Het was een van vele uitingen van de weemoedgolf die de beschouwingen over stad en land in de afgelopen jaren overspoelde. Het was geen weemoed van het stille verdriet, nee, deze weemoed was militant en activistisch, en het liefst bediende ze zich van de bouwkraan en de slopersbal.

Nieuwe woningen kregen een uiterlijk in ‘jarendertigstijl’. De jonge stad Almere ontwikkelde een historisch minderwaardigheidscomplex en compenseerde dat met een veel te groot nieuw-oud kasteel. Van Drachten tot de Jordaan werd gefantaseerd over het hergraven van reeds lang gedempte kanalen en grachten. In het Lauwersmeergebied bedacht men de herbouw van een middeleeuws vestingstadje plus drie verdwenen terpen, nu als vakantieoord te gebruiken, ook al is het onzeker of het stadje Eson ooit heeft bestaan. En in Utrecht waren er zelfs die het oude slot Vredenburg terugwilden ten koste van het gelijknamige muziekcentrum.

Weemoed-Welle

Waar kwam deze weemoed-Welle vandaan? In het jongste themanummer ‘Weemoed’ van het tijdschrift S&RO (Stedebouw & Ruimtelijke Ordening) geeft de architectuurhistoricus Cor Wagenaar de beknoptste verklaring: ‘Weemoed is luxe.’

De retro-golf heeft inderdaad veel te maken met de hoogconjunctuur uit de late jaren negentig. Volgens omgevingspsychologen houden we er niet van als er om ons heen te veel te snel verandert. Dat is precies wat er in de (nog altijd naijlende) bouwhausse gebeurde. Weemoed kan dan een gezonde correctie op overmoed zijn.

Volgens economen komt begeerte voort uit schaarste. Bij een overvloed aan verandering wordt het oude, het onveranderlijke, als vanzelf schaars en alleen al daarom aantrekkelijk. En omdat er maar een beperkte voorraad écht oude dingen is, ontstaat er een bloeiende markt voor surrogaat-oud.

Volgens filosofen, intussen, beleefden we in de jaren negentig het ‘einde van de geschiedenis’, waarmee ze bedoelen dat we onze oriëntatie in de tijd kwijt zijn. Wat is vooruitgang, wat is achteruitgang? Vroeger hadden we daar standaardantwoorden op, maar ongeveer sinds de val van de Berlijnse Muur zijn we er niet meer zeker van. Dat zie je terug in het oordeel over architectuur en stedebouw. Kritiek op de huidige praktijk is niet moeilijk, maar waar vind je inspiratie en referenties voor iets beters? Sinds de utopie uit te gratie is, lijkt er steeds vaker te worden teruggegrepen op rozige beelden ‘van vroeger’. Het verleden wordt de utopie.

Weer een andere verklaring is te vinden in de overheersende culturele invloed van de eerste naoorlogse generatie. De babyboomers worden een dagje ouder en daarmee vatbaarder voor weemoed en nostalgie. Dit verklaart ook waarom het weemoedig activisme zich zelden hecht aan de naoorlogse architectuur. Die is te jong. De dertigers en veertigers zijn nog niet toe aan hun weemoedfase.

Een laatste verklaring is de ‘esthetisering van het wereldbeeld’. Dankzij onze welvaart hoeven we de wereld om ons heen steeds minder te beoordelen in termen van direct en praktisch nut (‘hoe overleef ik hier?’). In plaats daarvan kunnen steeds meer mensen het zich veroorloven om esthetische criteria te hanteren: is het mooi, is het leuk, heb ik het hier naar mijn zin. Als reactie hierop is er iets ontstaan dat ‘belevingseconomie’ wordt genoemd, een markt waarop de esthetische beleving als product wordt geleverd. Dus als de mensen de illusie van vroeger willen, dan krijgen ze de illusie van vroeger.

Het plan voor de herbouw van het Paleis voor Volksvlijt aan het Frederiksplein paste bij uitstek in de esthetiserende benadering van het stadsbeeld, waarin achteloos werd gedaan over suffe, ordinaire kwesties als nut, noodzaak en betaalbaarheid. Maar het was ook een slecht voorbeeld van de esthetische benadering, want voor een open debat over de waarde van het vroegere Paleis, de huidige Nederlandsche Bank en de toekomstige Paleis-replica voelde de stichting van Schippers weinig. De eigen smaakvoorkeur werd zonder veel omhaal verabsoluteerd: het Paleis is mooi, de Bank is lelijk, en daarmee basta.

Nut en noodzaak

De esthetische houding is alleen vol te houden zolang de welvaart royaal en vanzelfsprekend blijft. Dat leek een paar jaar lang inderdaad het geval. De nieuwe economie kon immers nooit meer inzakken. In die atmosfeer van eeuwig lijkende luxe kon de weemoed haar luchtkastelen bouwen.

Nu de recessie toch is gekomen, dwingt ze ons tot een evenwichtiger oordeel van het herbouwplan. Bevrijd van de schimmenstrijd over mooi en lelijk moeten we het nu hebben over nut en noodzaak, functie en exploitatie. Daarmee doen we recht aan de culturele betekenis van gebouwen voor de stad. De cultuur van de stad bestaat immers niet alleen uit gevelbeelden, maar ook uit functies. Gebouwen zijn niet alleen plaatjes, ze moeten ook werken.

Het Paleis voor Volksvlijt was een tentoonstellingsgebouw voor typisch 19de-eeuwse tentoonstellingen, waarvan er uiteindelijk maar een paar zijn gehouden. Al heel snel bleek het een hopeloos onhandig ding om te gebruiken en een bodemloze put in de exploitatie.

‘En waartoe zou men ook eene instelling nog langer in ’t leven trachten te houden, die nimmer levensvatbaarheid had; die niet in de verste verte aan hare roeping beantwoordde; die van, den beginne af slecht werd geadministreerd en geëxploiteerd en dit nog immer slecht wordt gedaan?’, zo klonk de kritiek al binnen enkele jaren.

Toen had het Paleis nog een lijdensweg van zestig jaar voor de boeg. Vlak na de brand, in mei 1929, gaf de Amsterdamsche Gids er een fraai overzicht van (na te lezen op www.paleisvoorvolksvlijt.nl). Het Paleis diende met wisselend succes als overdekte markt, fietsschool, schouwburg, rolschaatsbaan en nog veel meer. Veel daarvan was, volgens de Amsterdamsche Gids, ‘volkomen in strijd met de denkbeelden van dr. Sarphati, die zeker geen inrichting van vermaak wilde bouwen’. Door het Paleis te vertimmeren werd het tijdelijk een tikje rendabeler, maar dat ging ten koste van de architectonische grandeur van het interieur en vooral van de grote hal.

Het werd ‘in verschillende deelen afgedeeld, voor alles en nog wat gebruikt en leidde een kommervol bestaan’, zo vatte Jan de Meijer het trieste leven van het Paleis samen in het Bouwkundig Weekblad Architectura. Kortom: het Paleis was op en versleten, oud en der dagen zat, en de brand gaf het slechts de genadeklap. De Meijer: ‘Als bruikbaar instrument missen wij het gebouw niet.’

Wie denkt dat dit een typisch Amsterdams verhaal is, heeft het mis. In tal van steden werden in de 19de eeuw dergelijke gebouwen neergezet, en vele daarvan wachtte hetzelfde lot van onmogelijke exploitatie, verwaarlozing en teloorgang. Voor zover ze het hebben overleefd, is dat bijna per ongeluk gebeurd.

Zoals het Royal Exhibition Building in Melbourne. Ook dat gebouw kende in het begin een handvol zeer spectaculaire tentoonstellingen, waaronder de Grote Nationale Baby Show in 1889, en verzonk daarna in een wisselvallig bestaan. Het mazzelde doordat het lange tijd, van 1900 tot 1927, dienst kon doen als tijdelijk parlementsgebouw voor de deelstaat Victoria. Verder was het onder meer noodhospitaal, kazerne, opvangcentrum voor migranten en tentamenhal voor de universiteit. Een plan uit 1948 om het te slopen, kwam één stem te kort in de gemeenteraad. Toen ik er een paar jaar geleden was, was een hoekje van de grandioze hal afgeschermd voor een designer’s outlet sale, met geflopte DKNY-modellen en van de vrachtwagen gevallen Calvin Klein-onderbroeken.

Het Royal Exhibition Building lijkt inmiddels een goede toekomst tegemoet te gaan, onder museale bescherming en met het prestige van de werelderfgoedlijst van de UNESCO als steun in de rug. Een belangrijk argument voor de UNESCO-voordracht is de zeldzaamheid van het gebouw: ‘Het is een van de weinige 19de-eeuwse tentoonstellingsgebouwen in de wereld die nog bestaan.’ Met andere woorden: het gebouw in Melbourne dingt mee naar de Werelderfgoed-status mede dankzij, en namens, verdwenen broertjes zoals het Amsterdamse Paleis.

Dit gebouwtype raakte al snel incourant doordat het soort tentoonstellingen voor handel en industrie zelf evolueerde. De 19de-eeuwse paleizen suggereerden dat de wereld, voor zover ze het tentoonstellen waard was, haar definitieve vorm en omvang had gekregen en dus ook een definitief gebouw kon krijgen. De naaste erfgenaam van het Paleis, de RAI, laat zien dat dat niet zo is. Een tentoonstellingsgebouw is nog altijd levensvatbaar, maar het moet wel voortdurend veranderbaar en uitbreidbaar zijn.

De RAI laat ook op een andere manier de historische continuïteit én verandering zien. Wie op de kaart van Amsterdam het Paleis, de oude RAI in de Pijp en het huidige RAI-complex aankruist, ziet hoe de tentoonstellingsfunctie in de loop der tijd vanuit het centrum is opgeschoven. Het belangrijkste expositiegebouw ging mee met de groei van de stad. Zo bezien getuigde Thomas Peutz (van SMART Project Space) van historisch besef toen hij tijdens de discussie in de Museumnacht opperde om het Paleis wel te herbouwen, maar dan aan de Zuidas.

Het stadscentrum heeft intussen meer culturele functies gekregen, en daarbij is ook behoefte aan grote ruimten voor tijdelijke exposities. Maar in die behoefte wordt al ruim voorzien door oude gebouwen die wél gewoon zijn blijven staan, zoals de Nieuwe en de Oude Kerk en de Beurs van Berlage. Het is onduidelijk waarom daaraan nog een Paleis moet worden toegevoegd.

Zeker, er kunnen allerlei evenementen bijeen worden geschraapt om de agenda van het Paleis net zo creatief te vullen als in het verleden. Met een nationaal kampioenschap indoorbeachvolleybal, een factory outlet of een boekenmarkt in concurrentie met het Spui. Misschien moet de universiteit er naar Australisch voorbeeld haar tentamens afnemen. Maar is dat voldoende voor de exploitatie? En zijn het wel de activiteiten waarvoor de initiatiefnemer Samuel Sarphati zijn Paleis had bedoeld? Is het zinvol om – met alle respect voor de mooie indoorbeachvolleybalsport – híervoor de sloop van de Nederlandsche Bank en de reconstructie van het Paleis te ondernemen?

Er zijn nog meer trucs denkbaar om de exploitatie op te krikken. Graaf een grote parkeergarage. Stop de galerij vol met lucratieve PC Hooftstraat-filialen. Bouw luxe appartementen in de onrendabel hoge hal (de Vondelkerkvariant). Maak van het hele gebouw een winkelcentrum (de Magnaplazavariant). Maar opnieuw: is het haalbaar, zeker in deze schralere tijden, en heeft het eigenlijk wel zin?

De herbouw is vermoedelijk technisch mogelijk, maar is het ook realistisch? Wie nu een gebouw maakt, is onderworpen aan de regels en wetmatigheden van nu. Dat zijn zowel de regels van de overheid (bouwtechniek, isolatie, veiligheid, Arbo) als de even ongenaakbare wetten van de markt (financiering, risicodekking, exploitatie). De maquette kan er onbekommerd 19de-eeuws uitzien, maar in het proces van maquette naar voltooid gebouw zullen de eigentijdse wetten stap voor stap binnendringen en het gebouw naar hun hand zetten. Als het wordt gebouwd, zal het resultaat zonder twijfel tegenvallen.

Het lijkt erop dat ook de herbouwers zelf hun geloof stilletjes verliezen. De eerste verjaardag van hun stichting ging ongemerkt voorbij. Op de website zijn zelfs na een jaar de belangrijkste ‘Meest gestelde vragen’, zoals over de kans op verwerkelijking van het plan, nog altijd niet beantwoord.

De Open Bank

Maar wat dan? Het ongenoegen over het Frederiksplein en de Nederlandsche Bank is begrijpelijk. Het is inderdaad een tamelijk dooie plek in de stad. Toch is het weinig vruchtbaar om de architectuur daarvan de schuld te geven. Het probleem is niet de lelijkheid van het gebouw maar de geslotenheid van zijn functie. Het gebouw is in zijn voorkomen open genoeg, met al dat glas waarachter je de klerken ziet werken, maar die schijnbare doorzichtigheid maakt het alleen nog maar ergerlijker dat je er niet in kunt.

Op deze plaats in de stad zou een openbaar gebouw moeten staan, of beter gezegd: een gebouw met openbare functies. Het gebouw staat er al. Nu de openbaarheid nog. Die kan er (gesteld dat de Nederlandsche Bank vroeg of laat vertrekt) vrij eenvoudig komen in de laagbouw. De twee torens mogen als kantoorruimte worden verhuurd.

Een nieuw op te richten stichting Open de Bank kan zich gaan buigen over de nieuwe functies voor het gebouw. Ook dan zal de exploitatie niet heel eenvoudig zijn, maar de zotte complicaties van grootschalige sloop en nieuwbouw kunnen worden overgeslagen. Intussen krijgen architecten de opdracht – misschien in prijsvraagvorm – om te verzinnen hoe het gebouw ook letterlijk kan worden opengesteld. Als het lukt om het nu zo dooie gebouw tot leven te wekken en een plaats te geven in de openbaarheid van het stedelijke leven, dan zul je zien hoe snel de impopulariteit ervan verdampt.

Ik stel voor dat er, op een ereplaats in de nieuwe Open Bank, een kleine, stijlvolle schrijn voor het Paleis voor Volksvlijt komt. Met natuurlijk de maquette die tijdens de Museumnacht pronkte in dat andere fameuze bankgebouw. Bij de feestelijke opening vragen we Kees Fens om de woorden te herhalen die hij een paar jaar geleden uitsprak bij een tentoonstelling in het architectuurcentrum ARCAM, destijds over plannen voor het Oosterdokgebied. Zijn betoog ging ongeveer als volgt:

Oude gebouwen zijn beter dan nieuwe gebouwen. Er is al zo veel bouwgeschiedenis in Amsterdam dat er niets meer bij hoeft. De rommeligheid die het bestaande vaak heeft, is beter dan de opgeruimdheid van nieuwe plannen. Ook zijn oude gebouwen die nu voor iets anders worden gebruikt dan waarvoor ze waren bedoeld, beter dan nieuwe gebouwen die op het gebruik zijn toegesneden. Theater in een voormalig zwembad is dus beter dan theater in een nieuw theatergebouw. Maquettes zijn beter dan uitgevoerde gebouwen, ‘zoals kinderen vaak mooier zijn dan de volwassenen die ze later worden’.

Aldus Kees Fens. In z’n algemeenheid is er wel iets op aan te merken, maar voor het Frederiksplein is het een uitstekend idee. De Nederlandsche Bank, zoetjesaan een oud gebouw, krijgt een nieuw en beter leven. En de maquette van het Paleis voor Volksvlijt koesteren we als een gelukkig altijd kind gebleven kind.