Recensie —

Copacabana in Hyde Park

Dirk van den Heuvel

Donderdag 19 juni werd in het Londense Hyde Park het paviljoen geopend dat is ontworpen door Oscar Niemeyer. De Braziliaanse architect was zelf helaas niet aanwezig bij de feestelijke gebeurtenis – zijn hoge leeftijd van 95 jaar verhinderde hem het vliegtuig te nemen – maar dat mocht de pret verder niet drukken. De Londense architectenscène liet er zich van zijn mondaine kant zien, met cocktails en wijn, en allerhande excentrieke outfits: van het streepjespak met strik van Jencks tot en met de wapperende windsels van Zaha Hadid.

Het paviljoen is een initiatief van de Serpentine Gallery. Deze aflevering is inmiddels alweer de vierde: drie keer eerder liet de galerie een tijdelijk bouwsel op het gazon voor haar deur plaatsen. Architecten die nog niet in het Verenigd Koninkrijk hebben gebouwd, kunnen een uitnodiging verwachten voor het maken van een ontwerp. Al eerder ontvingen Hadid, Daniel Libeskind en vorig jaar Toyo Ito er een. Interessant is dat het hele project privaat gefinancierd is, middels sponsoring en door de verkoop van het paviljoen na gebruik.

Voor dit jaar heeft Niemeyer een even zwierige als simpele ‘folie’ neergezet. Vanaf een verhoogd platform onder een stalen tentdakconstructie hebben de bezoekers uitzicht over het park, ze kunnen er zitten op een terras, of drinken aan de bar. Onder het platform bevindt zich een souterrain voor films en lezingen.

Niemeyer is inmiddels een icoon van de vorige eeuw geworden. In de Britse pers werd de opening van het paviljoen vergeleken met het uitkomen van een nieuwe Hitchcock of een nieuwe film met Greta Garbo. Zijn sterrenstatus hangt voor een deel samen met de opleving van een culture of design. Belangrijkste exponenten daarvan zijn meubelfabrikant Vitra, museum Guggenheim, uitgever Taschen en het tijdschrift Wallpaper. Binnen deze designcultuur hoort Niemeyer in dezelfde klasse als Eames, Lautner en Barragan. Wat ze gemeen hebben: vanzelfsprekend comfort, natural glamour en vooral: aangenaam tropische temperaturen.

Voor een dergelijke status hoef je dus niet vernieuwend of avant-gardistisch te zijn, want dat is Niemeyer allang niet meer. Hij blijft onverstoorbaar trouw aan zijn eigen interpretatie van het Corbusiaanse vormenrepertoire, sculpturaal en wellustig, zonder enig spoor van twijfel of onbescheidenheid.

Het aura dat Niemeyer omgeeft is ook zijn zwakke kant, de clichés liggen om de hoek. Elk interview begint Niemeyer over Copacabana en schetst hij met zijn viltstiften waar zijn gebogen lijnen vandaan komen: het vrouwelijk naakt. Ook in het paviljoen is een wand met een van deze schetsen versierd. Nochtans overstijgen zijn ontwerpen het cliché met gemak. Het paviljoen is raak en vanzelfsprekend, en verraadt een zeer ervaren ontwerphand.

Het maakt vooral jaloers. Onze Nederlandse ‘tropische’ exoten (Weeber en Bhalotra voorop) bespelen wat mij betreft te vaak en te gemakkelijk het slechte geweten van de culturele elite – overigens net als onze grootste internationale held, Rem Koolhaas. Voor zorgenloze decadentie, kom naar Londen deze zomer. Bezoek ook de Saatchi Gallery met de gewetenloze art pieces van Damien Hirst, sla de Art Deco tentoonstelling in het Victoria & Albert museum zeker niet over (over decadentie gesproken…) en verwonder je over de merkwaardig sexuele associaties die het werk van Norman Foster zijn gaan omgeven, nu zijn ‘erotic gherkin’ in de City bijna af is