Recensie —

Kunstwegen

Lotte Haagsma

Het is weer zomer en de vakantieperiode is aangebroken, tijd om erop uit te trekken. Zaterdag 14 juni 2003 organiseerde Pass Travels (een initiatief van SKOR en Stroom) een excursie naar ‘Kunstwegen’, een kunstroute langs de Vecht in Duitsland en Nederland.

Boven Zwolle tussen Gramsbergen (Overijssel, NL) en Nordhorn (Duitsland) langs of op enige afstand van de Vecht is in de jaren negentig het project ‘Kunstwegen’ tot stand gekomen. Grote namen werden aangetrokken. Bekende curatoren als Jan Hoet en Harald Szeemann, nodigden internationaal bekende kunstenaars uit om een werk te realiseren in het gebied.

Het resultaat is divers, met af en toe op een wat verborgen plek, een parel. De kunstwerken liggen vaak verscholen in of achter een bosje, ergens in een weiland, achter een dorp of langs de oever van de Vecht. De aanwezige natuur zorgt voor een ‘green box’, een groene afscherming van de overvloed aan informatie in het hedendaagse verstedelijkte landschap. Vergelijkbaar met de modernistische museumzaal – ook wel ‘white cube’ genoemd – die de kunst van een plaats zonder ruis voorziet. De meeste werken die bezocht werden, hadden een contemplatief karakter, ze lieten de bezoeker vanuit een bepaald perspectief naar het landschap kijken, speelden in op de geschiedenis van een plek of boden een moment om tot rust te komen.

Een hoogtepunt van de excursie was wat dat betreft een kunstwerk van het kunstenaarsduo Fischli/Weiss: een kronkelend pad in de vorm van een smal verhoogd plankier, met een lengte van 1200m, dat door een veengebied loopt. Een sprookjesachtig landschap met een verende ondergrond waarop hoge grassen groeien en tengere berkenboompjes staan, ontsloten door een simpele ingreep van de kunstenaars. Toch kan de wandelaar niet te veel wegdromen, het pad is nogal smal en wiebelt af en toe.

Dit liefelijke landschap kent een zwaar beladen verleden: ten tijde van het Derde Rijk waren hier werkkampen gevestigd. Ook op de plek van het nabij gelegen dorp Neugnadenfeld lag een kamp van de ‘Reichsarbeitsdienst’. Ann-Sofi Sidén reageert op deze geschiedenis met haar werk ‘Turf Cupola’. Midden in het dorp heeft zij een koepel bekleed met turfplaggen neergezet. In de koepel bevindt zich een videoruimte, rondom zijn monitoren opgesteld die beelden van de omgeving tonen. Buiten aan de rand van het dorp staat een hoge metalen toren voorzien van camera’s die de beelden van het omringende landschap opnemen. Kort na het betreden van de koepel verspringt het beeld en wordt de bezoeker plotseling geconfronteerd met zichzelf, opgenomen door de aanwezige bewakingscamera’s. Het werk van Sidén speelt een pel van kijken en bekeken worden, in een beklemend kleine ruimte, half ingegraven in de grond.

Bijzonder was het plantsoen dat Jenny Holzer inrichtte in Nordhorn. Bij een bestaand monument ter nagedachtenis aan de gevallenen, vermisten en vervolgden uit de beide wereldoorlogen ontwierp zij een ‘Black Garden’. Een klassiek vormgegeven tuin met cirkelvormige bloemperken, beplant met ‘zwarte’ planten, dat wil zeggen planten met heel donker groene en rode bladeren. Een tuin in de rouw.

Marin Kasimir
Mark Dion

Niet alle werken waren even interessant, het billboard van Marin Kasimir op het landgoed Lage was ronduit irritant. Weinig sprekende foto’s van de historische burchtruïne van de voormalige ‘heerlijkheid’ worden geconfronteerd met beelden van een moderne villawijk, bewerkt met de computer, fel van kleur, weilandbreed en horizonvervuilend. Toch was het wel een van de werken die op je netvlies bleven branden, het effect was groot en het verschool zich niet vriendelijk achter een bosje. Die brutaliteit viel ook wel weer te waarderen.

Voornamelijk grappig waren de twee kleine gebouwen van Mark Dion die ieder voor een verschillende manier van omgaan met de natuur staan. Het ene is een ‘oude’ jagershut, compleet met minigeweien, verrekijker en veldbed. Het andere een modern onderzoeksstation met een laboratoriuminrichting en afbeeldingen van dier- en plantensoorten aan de muur. De jagerhut is getroffen door een boom, de jagersmentaliteit is niet meer van deze tijd.

Het werk wat de meeste discussies opriep, was de enorme ankerketting die sterkunstenaar Luciano Fabro om een oude Keltische grafheuvel had gedrapeerd. Ook bij omwonende waren de gemoederen hoog opgelopen: de ketting werd met een aantal tracktoren kapot getrokken. Fabro kreeg het vervolgens met veel overtuigingskracht voor elkaar om de ketting, met zo’n honderd mensen uit de omgeving, weer op zijn plaats te leggen.

Het protest kwam voort uit het gevoel dat de kunstenaar zich de grafheuvel uit een oeroud verleden zomaar toeeigende. Voorstanders (en Fabro zelf) vonden dat de grafheuvel er juist door geaccentueerd werd, de ankerketting ging een relatie aan het de ‘reis naar het hiernamaals’ en de nomadische leefgewoontes van de Kelten. Waarom zou je een historische locatie niet met een hedendaagse ingreep opnieuw tot leven mogen wekken? Vermoedelijk was de doorslaggevende reden voor de acceptatie het feit dat de ketting door de jaren heen langzaam in de grond zal zakken en dan niet meer zo zichtbaar zal zijn.

Jammer aan ‘Kunstwegen’ is dat de werken vaak ver uit elkaar liggen en er dus met de auto, bus of – voor de sportievelingen – met de fiets moet worden rondgetoerd. Wel moet gezegd worden dat de omgeving mooi is en de kunstwerken een aanleiding vormen om een – voor de meeste Nederlanders – onbekend gebied te verkennen.