Feature —

Er is er een jarig

Marina van den Bergen

dat kan je wel zien dat is….. De dienst Ruimtelijke Ordening (dRO) van de gemeente Amsterdam bestaat 75 jaar en dat wordt gevierd met onder meer een tentoonstelling in de Zuiderkerk getiteld ‘Stadsplan Amsterdam’.

Wie een kritische zelfreflectie verwacht zal teleurgesteld worden, evenals diegenen die benieuwd zijn naar het 'en hoe nu verder'. Het is feest, en er wordt flink uitgepakt. Voor de meeste vakgenoten zal het verhaal dat in de tentoonstelling verteld wordt bekend zijn. Aan de hand van de stadsplannen die de gemeentelijk dienst Stedelijk Ontwikkeling en later de dienst Ruimtelijk Ordening maakten wordt, het denken over de ruimtelijke ontwikkeling van Amsterdam getoond. Aanleiding voor de oprichting van SO was de annexatie in 1921 van een aantal buurgemeenten waardoor het oppervlakte van de stad toenam van 4600 hectare tot 17.120. De gemeente voelde zich genoodzaakt om een integrale ruimtelijke ontwikkelingsvisie te formuleren voor dit nieuw verworven gebied. De dienst, met urbanist C. van Eesteren als ontwerper, presenteerde in 1935 het belangrijke en invloedrijke Algemeen Uitbreiding Plan. Vier jaar eerder had de dienst gewerkt aan het Bosch Plan. Dit ontwerp, waar voor het eerst in 1928 over gesproken werd, was ontwikkeld vanuit de wens om de Amsterdammers recreatiegelegenheid te bieden in de nabijheid van de stad – tot dan toe ging men naar het Gooi of de duinen. Het Bosch Plan diende echter ook een ander doel. De aanleg ervan verschafte werk aan 5.000 van de 50.000 werkelozen (op een totale bevolking van 750.000) die Amsterdam toen telde.

definitief ontwerp Amsterdamse Bos, 1937

De plattegrond uit 1937 van het Amsterdamse Bos, die op de tentoonstelling te zien is, kan zonder probleem vandaag de dag nog gebruikt worden om de weg te vinden. Dat betekent echter niet dat het bos onveranderd is gebleven. De stad rukt op. Zeventig jaar nadat de eerste spade de grond in ging, wordt steeds meer groen opgeofferd aan kantoor- en woonruimte en aan (commerciële) sportbeoefening. Vooral deze laatste zorgelijke ontwikkeling is onzichtbaar omdat op kaarten sport en recreatie vaak beide met dezelfde kleur worden weergegeven. Zo lijkt de Vietnamweide op de kaart nog groen terwijl er in werkelijkheid een foeilelijke sporthal staat met daarbuiten rode graveltennisvelden. De verbreding van de roeibaan waar nu aan gewerkt wordt, maakt het straks mogelijk om prestigieuze internationale wedstrijden te houden. Direct gevolg hiervan is dat er ook nieuwe accommodaties moeten komen. En ziedaar, bij de entree van de Bosbaan zijn nu twee opzichtige bouwsels verrezen. Kaarten vertellen veel, maar niet alles.

Officieel valt het bos binnen de gemeentegrenzen van Amstelveen. In de structuurplannen die tot en met 1974 verschenen staat het groengebied echter duidelijk aangegeven en wordt het gepresenteerd als een grootstedelijke groenvoorziening. In het eerstvolgend plan, dat in 1985 verschijnt met als titel 'De stad centraal', is duidelijk een omslag in het denken over de stad waar te nemen. Een omslag die deels te maken had met de ingrijpende reorganisatie die de dienst onderging na haar 50ste verjaardag. De volgens sommigen veel te machtige organisatie moest, in hedendaagse terminologie, transparanter worden. SO werd opgesplitst in de dienst Ruimtelijk Ordening, dienst Openbare Werken en het Gemeentelijk Grondbedrijf. Hiermee kwam ook een einde aan de grootse en meeslepende plannen die in de daaraan voorafgaande vijftig jaar voor de stad werden gemaakt en waarvan sommige werden uitgevoerd (AUP), andere niet (de Lastage-doorbraak in de Nieuwmarkt), of in een zeer afgezwakte vorm (Pampus-plan waarvan de enige overeenkomst met het huidige IJburg de locatie is). Toeval of niet, de structuurplannen hebben vanaf 1985 slechts betrekking op het gebied binnen de gemeentegrenzen; de toekomst van het Amsterdamse Bos lijkt nu geheel in handen te zijn van de pragmatische gemeente Amstelveen.

Plan van David A. Jokinen, montagefoto van een zuidelijke cityweg tussen Ferdinand Bolstraat en Museumplein, 1967

Een ander groot verschil is de functie van de structuurplannen. Het AUP was een op realisatie gericht plan dat zich laat lezen als een bestemmingsplan. Het structuurplan 'De stad centraal' was een 'planologisch product aan de hand waarvan de ontwikkelingen in de gewenste richting' werden gestuurd, een 'onderhandelingsproduct'. Deze laatste informatie komt uit de publicatie Stadsplan Amsterdam. Toekomstvisies op de ruimtelijke ontwikkeling van de stad 1928-2003, de catalogus van de tentoonstelling. Hierin zijn antwoorden te vinden op vragen die op de tentoonstelling niet beantwoord worden, zoals het verband tussen de Nota's Ruimtelijke Ordening van de overheid en de structuurplannen van de gemeente. Is de fraai vormgegeven tentoonstelling gericht op 'het grote publiek', de catalogus is dat duidelijk niet. Wat de auteurs (een enkeling uitgezonderd) niet gelukt is – het schrijven van een leesbaar verhaal over 75 jaar stadsplannen, veel opstellen zijn opsommerig en gedetailleerd, vrolijke en kritische noten zijn zeldzaam – is de samenstellers van de tentoonstelling wel gelukt. Met interessant kaartmateriaal van onder meer de saneringsplannen voor de Jordaan, met veel historische foto's en mooie maquettes van bijvoorbeeld het plan voor een monorail in de Spuistraat, het Pampusplan van Van den Broek en Bakema en het ontwerp van OMA uit 1993 voor de Zuidelijke IJ-oevers, wordt er een vrolijk feestje gebouwd. En zoals wel vaker op verjaardagfeestjes van oude ooms of tantes het geval is, stemmen de verhalen over vroeger enigszins weemoedig.