Feature —

BNA-kubus voor John Habraken

Piet Vollaard

John Habraken, auteur van het invloedrijke boek ‘De dragers en de mensen, het einde van de massa-woningbouw’ (1961) ontvangt op 12 november de BNA-kubus 2003. De BNA wil daarmee waardering tonen voor de wijze waarop Habraken inhoud heeft gegeven aan het begrip Vitale Architectuur.

De jury, Pim van der Ven (voorzitter), Jan Brouwer, Mels Crouwel, Karin Laglas, Jurriaan van Stigt en Roemer van Toorn, looft Habraken omdat hij 'als een van de eersten de thema's individualisering en herontwikkeling in de architectuur aan de orde heft gesteld' en acht 'het gedachtegoed van Habraken bevlogen, toekomstgericht en voor het wonen in onze huidige stedelijke cultuur actueler dan ooit.'

Centraal in Habrakens denken staat de vraag hoe de gemeenschap zich verhoudt tot het individu en op welke manier deze verhouding wordt gereflecteerd in de gebouwde omgeving. In 'De dragers en de mensen' reageert hij op de technocratische, genormaliseerde massawoningbouw die in de jacht op het oplossen van de kwantitatieve woningnood, had geleid tot monotone wijken met woningen waarin de 'natuurlijke relatie tussen mens en huisvesting' verbroken was.  Om dit proces te keren stelde hij voor om het bouwen te splitsen in twee 'sferen': drager en inbouw. Op basis van een open, collectieve structuur, konden de bewoners – door zelfbouw of met behulp van een set gestandaardiseerde industriële bouwelementen – aan hun woning bouwen en verbouwen. De drager reflecteerde de sfeer van het gemeenschappelijke, de gemeenschap, de inbouw die van het individuele. Het drager-idee werd later veelal letterlijk vertaald als een constructieve draagconstructie van een individuele woning, als skelet, en is in die zin verworden tot de standaard tunnelkist. De drager in Habrakens denken was echter meer dan dat, de drager moest ook in overdrachtelijke zin worden gezien als het maatschappelijk bindmiddel, als intermediair tussen het collectieve en het geprivatiseerde en als constante in een permanent veranderingsproces en in die zin veel meer dan een louter constructief element.

In de kritiek op de technocratische verwording van de (woning)bouw, het gebrek aan ruimte voor het individu, voor het alledaagse en voor verandering en 'natuurlijke' groei stond Habraken niet alleen. Team Ten vormde bijvoorbeeld met deze kritiek een permanente stoorzender bij de opeenvolgende CIAM-congressen. In de loop van de jaren zestig kwam de zogenaamde megastructuur in zwang, waarbij Habrakens drager vaak letterlijk de ruggengraat van een veranderende structuur op stedelijke schaal werd ingezet. In veel gevallen liepen deze experimenten uit op een teleurstelling. Ook het drager-inbouw idee van Habraken zelf kwam in kritisch vaarwater toen met de oprichting van de SAR (Stichting Architecten Research) in 1965 de abstractie werd vertaald naar de concrete bouwopgave. De SAR, inclusief Habraken, verloor zich daarbij al snel in even technocratische en bouwmethodische discussies omtrent maat- en plaatssystematiek en de voorbeeldwijken die vanaf het begin van de jaren zeventig werden gebouwd konden nauwelijks op enig enthousiasme van de toenmalige architectuurkritiek rekenen. In het kielzog daarvan werd het onderwijs aan de nieuwe afdeling architectuur van de TH in Eindhoven, dat door de aanwezigheid van Habraken (van de start in 1967 tot 1975) een grote SAR-invloed had gekregen, eveneens bekritiseerd. Habraken verbrak zijn banden met de SAR en Nederland toen hij in 1975 vertrok naar het MIT (Massachusetts Institute of Technology) waar hij tot 1989 aan de afdeling architectuur en planning verbonden is geweest. Uit zijn recente boek 'The Structure of the Ordinary' uit 1998 blijkt hij buiten het gezichtsveld van de Nederlandse architectuurkritiek gestaag te hebben doorgedacht op zijn oorspronkelijke theorie.

De jury van de BNA-kubus valt te prijzen omdat zij over de kritiek op SAR heenkijkend de actualiteit van Habrakens theorie heeft gezien als 'een pleidooi voor vitale architectuur: een architectuur die niet 'af' is, maar ontstaat in dialoog tussen gebruiker en gemeenschap.' De omstandigheden nu zijn echter totaal anders dan veertig jaar geleden. Waar toen een gebrek aan aandacht voor het individu aan de orde was, lijkt nu een overmatige aandacht voor het individuele tot een verarming van het publieke domein te gaan leiden. Het vraagstuk van een betekenisvolle balans tussen individu en maatschappij, tussen het private en het openbare, tussen het permanente en het veranderlijke is daarmee nog steeds aan de orde. Met de toekenning van de BNA-kubus kan de huidige architectuur vanuit de opvattingen van John Habraken kritisch worden bekeken. Het valt te hopen dat de prijsuitreiking niet alleen aanleiding zal zijn tot een vrolijk feestje, maar tevens tot een kritische voortzetting van het debat over vitale architectuur.