Recensie —

Hopen en gaten op land en in zee

Lotte Haagsma

Er scheen afgelopen zaterdag een stralende nazomerzon én het was Open Monumentendag, een perfecte combinatie. Geest en Grond organiseerde op deze dag een excursie door de Duin- en Bollenstreek onder leiding van beeldend kunstenaar Krijn Giezen.

Geest en Grond is een project dat een bijdrage wil leveren aan de verbetering van de landschappelijke kwaliteit van de Duin- en Bollenstreek. Dit gebied omvat onder anderen de gemeentes: Lisse, Hillegom, Noordwijk, Sassenheim, Katwijk en Warmond. Geest en Grond legt daarbij de nadruk op het culturele erfgoed van de streek en wil in samenwerking met (landschaps)architecten, stedenbouwkundigen en kunstenaars de bestaande situatie onderzoeken en voorstellen doen voor toekomstige ontwikkelingen. Een culturele planologie voor de Duin- en Bollenstreek.

Krijn Giezen is een van de kunstenaars aan wie gevraagd werd te reageren op een aantal thema’s die door Geest en Grond waren aangewezen als belangwekkend voor het gebied. Volgens Giezen maken stortplaatsen en zandafgravingen deel uit van ons erfgoed. Dat deze ‘hopen en gaten’ niet meegenomen waren bij de inventarisatie van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur in de Duin- en Bollenstreek vond hij dan ook een gemis. Vandaar dat zijn bijdrage aan het project bestond uit een inventarisatie van deze plekken.

De excursie ging langs een aantal van de ‘hopen en gaten’ die Giezen had gevonden. Als eerste werd de stortplaats Tespellaan bij Noordwijkerhout bezocht, hier hield landschapsarchitect Noel van Dooren een verhandeling over de problemen en mogelijkheden van gesloten stortplaatsen. De afvalberg Tespellaan stamt uit de jaren vijftig, toen lag er een zandafgravinggat dat werd volgestort met afval, waarna men doorging tot er een berg ontstond. In de jaren ’70 waren er 11.000 vuilstorten in Nederland, nu zijn het er nog maar dertig. Er kwam strenge regelgeving, het moest allemaal veiliger en duurzamer, afval werd steeds meer gescheiden en hergebruikt. Maar overal in het land liggen nog verlaten afvalbergen en die worden voor een deel als ‘natuur’ of evenementenberg (skihelling) ingericht.

Een vuilstortplaats heeft meestal een negatief imago, er zit veel ellende in de bodem en dat zorgt voor onrust bij omwonenden. Opvallend is daarom dat – als de berg met rust gelaten wordt – de vervuiling eigenlijk helemaal niet zo groot blijkt. De combinatie van groenafval (van huishoudens, boeren en tuinders) met bedrijfs- (chemisch) en bouwafval zorgt voor een bepaalde immobiliteit waardoor er geen kwalijke stoffen weglekken en veel rotzooi langzamerhand afgebroken wordt. Afvalbergen blijken onder bepaalde omstandigheden een zelfreinigend vermogen te hebben.

Volgens Van Dooren is de berg bij Noordwijkerhout een landmark en biedt het een prettig chaotisch contrast ten op zichten van de strakke bloemenvelden eromheen. Nu is de begroeiing niet spectaculair: bramen, berenklauwen en brandnetels vind je overal in Nederland. Een schraal milieu, met de daarbij horende flora en fauna, zou interessanter kunnen zijn in relatie tot het duinengebied aan de kust. Maar dat het een openbare plek moet worden stond voor de meeste aanwezigen vast. Terwijl je toch ook zou kunnen kiezen voor het laten bestaan van afgelegen plekken waar je alleen kunt komen door over een hek te klimmen en waar gewoon groeit wat er groeit hoe saai ook. Laten we af en toe een plekje vergeten.

Vervolgens ging de tocht langs een zandafgraving naar Noordwijk aan zee, want volgens Giezen houdt het landschap van de Bollenstreek niet op bij het strand, het vervolgt zijn weg in zee. In Noordwijk vertelde Han Lindeboom van Alterra een verhaal over de zee voor de kust van Nederland. Hij liet een kaart uit 1883 zien en vergeleek die met een actuele kaart van de zeebodem. Het werd duidelijk dat er nogal wat veranderd is in de loop der tijden, onder invloed van het klimaat, maar zeker ook door de intensieve visserij. In 1883 lag er bijvoorbeeld een enorme oesterbank in de Waddenzee, van het Nederlandse tot en met het Duitse deel, met een afmeting van 10.000 vierkante kilometer. Voor de kust van Noord-Holland lag een stuk grof veen waar boten moesten uitkijken omdat er her en der boomstronken tot het zeeoppervlakte reikten. In 1936 werden de laatste oesters opgevist van de oesterbank en ook de veenvlakte is geheel verdwenen. De zeebodem is steeds kaler geworden. Nieuwe objecten als windmolens en booreilanden vormen nu de plaatsen waar het zeeleven zich hecht en waar visrijke enclaves ontstaan. Ook scheepswrakken zorgen voor fijne aangroei- en schuilplaatsen.

In de toekomst zal er nog veel veranderen op zee, er worden de komende jaren enorme windmolenparken gebouwd en er zal naar alle waarschijnlijkheid op grote schaal zand en grind gewonnen worden uit de zeebodem. Er wordt nu onderzoek gedaan naar de mogelijkheden die dit biedt voor het leven in zee. Er kunnen nieuwe hopen en gaten worden gecultiveerd die, als ze beschermd worden tegen de visserij, kunnen zorgen voor een hernieuwde diversiteit aan zeeleven. Krijn Giezen deed bijvoorbeeld het voorstel om het puin van afgebroken bunkers in zee te storten en zo onderzeese rotsformaties te creëren. De zeebodem als nieuwe ontwerpopgave, alleen is het de vraag of (landschaps)architecten echt warmlopen voor een zo onzichtbare opgave. Nee, dan liever een afvalberg omtoveren tot landmark!

Als toetje van de dag werden de deelnemers van de excursie uitgenodigd op de ‘Life Boat’ van de Noordwijkse reddingsbrigade. Stoere mannen voeren ons met grote snelheid de zee op, waar we – met de wind in de haren – niets merkten van wat er zich allemaal onder ons afspeelde. Op zee wachtte nog een ontmoeting met het ‘Remeiland’ een oud en betrekkelijk klein werkeiland voor de kust van Noordwijk waar in de jaren ’60 een tv-piraat korte tijd Amerikaanse series uitzond en waar Rijkswaterstaat later metingen verrichtte. Een monument op zee.