Recensie —

SUPERSTUDIO

Bert de Muynck

De Italianen Alessandro Magris, Cristiano Toraldo di Francia, Roberto Magris, Adolfo Natalini en Piero Frassinelli staan weer in de schijnwerpers. Hun namen zeggen misschien weinig, maar hun collectief – SUPERSTUDIO – en ontwerpen en teksten daarentegen meer. Die verwijzen hun hedendaagse epigonen makkelijk richting visionaire vuilbak, getuige een recent overzichtswerk ‘Superstudio, Life Without Objects’.

Superstudio was een collectief van Italiaanse architecten en industrieel vormgevers die deel uitmaakten van een kortstondige, maar hevige Radicale Architectuur, een beweging met vooral Italiaanse groepen, waaronder naast Superstudio ook Archizoom (beide uit Florence). In de loop van de jaren heeft het avant-gardistische oeuvre van SUPERSTUDIO, (looptijd van 1966 tot 1978) een cultstatus verworven. Het leek dat hoe minder over hen gepubliceerd werd, hoe meer hun projecten en gedachtegoed aan impact wonnen.

Zoals bij het betere overzichtswerk, mogen ook hier een aantal auteurs zich uitleven in essays waarin de historische inbedding niet ontbreekt – de Italiaanse naoorlogse context rond de universiteit van Florence, de culturele diversiteit binnen en het 'krities ideologies' kader waarin SUPERSTUDIO werkte, De stukken missen echter een hedendaagse terugkoppeling. Dit komt door het oogverblindende initiële werk: kritische, beeldende, artistieke, utopische, intellectuele en architecturale projecten die tussen 1966 en 1971 gemaakt zijn. De humanistische chill-out van de leden van SUPERSTUDIO daarna lijkt moeilijker verteerbaar, maar ligt in het verlengde van hun werk van de jaren zestig. De schrijvers en curatoren – Peter Lang en William Menking – ontkennen de mogelijke gevolgen van een '60s revival niet, blijkens volgende: 'What remains to be seen, however, is whether the recent 1960s' revival emerging in the schools and in some of the more progressive offices goes beyond mere fashion trends.'

Het werk van SUPERSTUDIO zelf. De indeling van de curatoren verdeelt deze braafjes in vier periodes: 1966-68 (Superarchitecture), 1969-71 (Superprojects), 1972-73 (Superexistence) en 1974-78 (Supersimple). Ook hier is de aandacht onevenredig verdeeld en werkt toe naar het legendarisch moment suprême, The Continuous Monument (1971). Hierna wordt de vervolgperiode snel afgehaspeld. Onterecht want net in die periode brengen ze hun ideologie – 'the race of consumerism is definitely wrong', 'the only architecture will be our lives' en 'the problem of living creatively, living truly that is' – in een paradoxale inhoudelijke en beeldende cruisende over-drive.

De projecten uit de eerste helft, 1966-1971, bieden een tegengewicht aan het toen regerende naoorlogse modernisme door de maatschappij een beeld voor te schotelen van een samenleving waarbinnen een hedonistische cultuur samengaat met de monumentale kracht van haar leefomgeving. De onvermijdelijke polemische neutraliteit die SUPERSTUDIO bereikt, wordt versterkt door een onnavolgbare esthetiek. De tekeningen, films, fotomontages, sketches, collages en storyboards die de fijnzinnig geschreven parabels begeleiden, staan zowel inhoudelijk als beeldend in vergelijking tot de hedendaagse photoshopexcrementen als S,M,L,XL tot Farmax. Projectgewijs kenmerkt die periode zich door de lijn van de 'Journey into the Realm of Reason', een gids voor architecten in het rijk van de monumenten, die overloopt in de Histograms van SUPERSTUDIO, oftewel The Architects' Tombs dat een catalogus is van niet-continue diagrammen, en uiteindelijk uitmondt in The Continuous Monument. Dit laatste verbeeldt het ultieme monument dat een eind moet maken aan ieder idee van het monument. De esthetiek van die neutrale, vormelijke en fundamentele projecten is telkens uitgebeeld in een homogeen, isotroop en continu grid van 3 centimeter waardoor hun ideologie ook beeldend onvermijdelijk wordt. Het hallucinant eindpunt van die eerste helft zijn de 'Twelve Cautionary Tales for Christmas' waarin SUPERSTUDIO strakke literatuur aan epische beelden koppelt, daarbij bij wijlen Kubrick achterna gaand.

De projecten uit de tweede helft, 1972-1978, vereenvoudigen het bovenstaande gedachtegoed. Nu geen lineaire monumenten meer, maar eindeloze neutrale vlaktes puntsgewijs ingevuld en ingeleefd door trosjes mensen. De antropologie wordt hier gestript van de architectuur (het credo indachtig 'the only architecture will be our lives') en herleidt tot vijf 'Fundamental Acts': 'Life, Education, Ceremony, Love and Death' die van passende architectuur worden voorzien. De hierdoor bereikte Living Architecture lijkt minder sexy dan voorgaande periode, maar is eerlijk. Het resultaat is de consequentie van een supergedrag, één die ideologie kruist ontwerp met ontwerp. SUPERSTUDIO verwoordt de reden daartoe als volgt: 'Architecture never touches the great themes, the fundamental themes of our lives. Architecture remains at the edge of our life, and intervenes only a certain points in the process, usually when behaviour has already been codified, furnishing answers to rigidly stated problems.' De rol die SUPERSTUDIO voor zichzelf weggelegd ziet, herdefinieert binnen dit conceptueel kader de vijf primaire menselijke daden, zoals opgesomd hierboven. Ontwerpen en teksten krijgen dan ook de betere links-psychologisch titels als 'The Realization of Self Through Architecture' en 'An Environment for Love at Love at First Sight'. SUPERSTUDIO eindigt met de pure vorm van de piramide, de stad, de Griekse Tempel, het huis in het bos, Villa Savoye en de machine. Een van de laatste projecten betrof een grondige studie, de Extra-Urban Material Culture, naar de artefacten en de wooncultuur van het de op het punt van verdwijnen staande platteland van de armere streken van Italië. Haar zwanenzang beleefde SUPERSTUDIO uiteindelijk op de Biennale van Venetië 1978, met het project The Wife of Lot dat bestond uit vijf monumenten uit zout die oplosten onder een langzame stroom van water.

'Life Without Objects' is zonder tegenspraak één van de tien architectuurboeken van 2003. Na lezing is de wervende kracht van de utopie dan ook die van een cyclisische uitdieping en verbreding, startend van de eenvoud van de monumenten, overgaand in de pure power van hét monument om uiteindelijk uit te monden in haar onvermijdelijkheid, de pure Gestalt van de monumenten. De kracht van SUPERSTUDIO is dat het collectief haar superbe ontwerpen ondersteunt met kritieken, essays of educatieve parabels waaruit een voorliefde voor antropologie (het rituele, de totem en incest), mythische cultuurkritiek en inzicht in de figuur van de architectuur het primitieve met de rede weet te verbinden. Koop, verslind en gebruik dit superieure boek!

Eén van de methodes om Superdutch te bestrijden.