Recensie —

Naoorlogs wonen in Amersfoort

Erik Stekelenburg

In het centrum voor moderne kunst De Zonnehof te Amersfoort werd afgelopen zondag de tentoonstelling ‘Licht, lucht en ruimte – Wonen in de jaren vijftig’ geopend. De tentoonstelling in het Rietveldpaviljoen is gericht op Amersfoort en geeft een overzicht van de wijken uit de jaren ’45 tot ’65 van de vorige eeuw. Het biedt een inkijk in de wooncultuur van die tijd en maakt de stedenbouwkundige principes inzichtelijk voor een groot publiek.

Hedwig Saam, adjunct-directeur van De Zonnehof, wees er tijdens de opening op dat de wederopbouwwijken niet delen in de herwaardering van de jaren vijftig, zoals die tot uitdrukking komt in veel retrostijlen. Ze reageerde op de roep tot sloop van woningen uit die tijd en stelde dat als er dan gesloopt zou worden; 'alsjeblieft niet voordat we weten waar we het over hebben'. En met die uitspraak was het doel van de tentoonstelling gegeven.

Centraal op de tentoonstelling staat een opengewerkt voorbeeld van een prefabwoning van J.F. Berghoef, compleet met Bruynzeelkeuken, Tomadorek en meubels van onder andere Rietveld. De niet opgetrokken delen zijn als bouwkundige plattegrond in marmoleum vloerbedekking gesneden. Verder zijn er nog enkele hoekjes ingericht in jaren vijftig-stijl. Elke wederopbouwwijk is aanwezig met een paneel. Er zijn foto's van Cas Oorthuys en Jan Versnel, fragmenten uit het Polygoonjournaal en radiofragmenten. Voor de optimale beleving van het wonen in de jaren vijftig zou er tegenover de grote hoeveelheid tekst wel wat meer beeld, geluid en eventueel geur mogen staan.

Amersfoort bezit een grote diversiteit aan wederopbouwarchitectuur. Houten noodwoningen,  montagewoningen in het Airey-montagewoningbouwsysteem, kleine landhuizen op de Amersfoortse Berg tot de eerste flats in het montagesysteem Bartels en strokenbouw in de Bomenbuurt van het Soesterkwartier. Deze buurt werd als eerste wederopbouwwijk in Nederland, al in 1988, uitgeroepen tot beschermd stadsgezicht. Een openluchtmuseum van de betere architectuur en stedenbouw aan het begin van de wederopbouwperiode (1948-1953) en een bekeerplaats voor degenen die denken dat alle wederopbouwarchitectuur beter kan worden gesloopt. Bij de totstandkoming van de buurt is dan ook het onderste uit de kan gehaald, de ontwerpers, architect Zuiderhoek en stedenbouwkundige Rooimans, kregen bij de opdracht te horen dat de buurt het beste van het beste moest bieden. En dat betaalt zich tot op vandaag uit, zij het nu meer door de architectonische identiteit dan door het collectieve idee dat eraan ten grondslag lag.

In de oorspronkelijke opzet is heel duidelijk dat collectief ideaal af te lezen. Een ruime straat begon al bij de voorgevel waar de straatverlichting (gaslantaarns) aan werd bevestigd. Palen zouden evenals een bomenrij een te grote inbreuk maken op de ruimte. De grootte van het voortuintje zou tegenwoordig het predikaat geveltuin krijgen en brede openbare grasperken met paden overbrugden de afstand tot de straat. De intredende individualisering maakte een eind aan deze situatie. Het grasperk werd geannexeerd door de bewoners en de eigen auto deed zijn intrede, waardoor de straat inmiddels ook is geïndividualiseerd. Bij de renovatie rond 1999 werd de oude situatie niet hersteld. Gelukkig geldt dat niet voor de idealen bij de inmiddels 88-jarige stedenbouwkundige Rooimans. Hij is nog steeds principieel huurder vanuit het idee dat eigendom de collectieve belangen niet dient.

Blijkens een bericht uit het Dagblad van Amersfoort van 1957 deed de individualisering overigens al heel snel zijn intrede. In de gelijktijdig uitgekomen catalogus wordt uit dat bericht geciteerd hoe bewoners van de flats door de eigenaar 'Stichting Centrale Woningzorg' worden gewezen op hun verantwoordelijkheidsgevoel: 'Deze gemeenschappelijke woonaccommodaties (…) zijn een uitstekende oefenplaats voor 't betrachten van gemeenschapszin. Maar al te licht is men geneigd om strikt 'eigen' bezit te onderhouden en vertroetelen en anderzijds aan 'gemeenschappelijk' bezit weinig of geen aandacht te besteden.' Het is alsof je in het CDA verkiezingsprogramma van 2002 zit te lezen.

Wonen in de jaren vijftig is heel actueel. Het is te wensen dat meer gemeenten zich bewust worden van hun erfgoed en in ieder geval bedenken dat er een onderscheid is tussen de beheersproblemen en de kwaliteit van de naoorlogse wijken.