Opinie —

Oud nieuws? Geen nieuws? Slecht nieuws?

Vladimir Stissi

De promotie van Het Nieuwe Rijksmuseum verloopt tot nu toe vlekkeloos. Volgens Vladimir Stissi wordt daarbij selectief met informatie omgegaan waardoor belangrijke discussies worden vermeden. Het Nieuwe Rijksmuseum binnen en buiten de schijnwerpers.

1, 2 nieuwe toren Rijksmuseum (uit: Cruz y Ortiz, The New Rijksmuseum, Preliminary Design, december 2002)
3 onderdoorgang met glazen scheidingswand

Soms zijn de wegen van de publiciteit ondoorgrondelijk. Zo kwam niet zo lang geleden het Rijksmuseum opeens met een klein mediaoffensief over zijn vernieuwingsplannen. Vooral dagblad Het Parool pakte daarop flink uit, maar ook andere kranten besteedden aandacht aan dit ‘nieuws’. Dat lijkt normaler dan het is: hoewel er nu een vlotte nieuwe 3D-prestentatie was, en mooie kleurentekeningen, is het getoonde ontwerp op wat details na ruim tien maanden oud, en al eerder aan de pers gepresenteerd. Het enige echte nieuws was dat het Rijksmuseum er in is geslaagd een forse budgetstijging (waarover geruchten overigens al tijden circuleerden) gefinancierd te krijgen. Dat is in deze tijden een hele prestatie, maar blijkbaar moest die verhuld worden achter de mooie nieuwe plaatjes van het oude voorlopige ontwerp. Is het Rijks misschien bang dat het Stedelijk jaloers wordt? Of dat mensen zich af gaan vragen hoe het kan dat een project dat honderden miljoenen kost al in de ontwerpfase nog weer 70 miljoen duurder wordt, terwijl er feitelijk niets aan de plannen veranderd is? Reclame maken is de juiste feiten selecteren, blijkt weer eens.

Het is daarom nuttig ook eens naar wat zaken te kijken die in de publiciteit niet zo naar voren komen. Het valt bijvoorbeeld op dat de hoge nieuwbouwtoren, die naast het oude gebouw in de tuin moet verrijzen, in de kranten maar terloops genoemd wordt. De angst voor een publiek debat, of negatieve reacties van ‘het volk’, is blijkbaar groot. Nog zo één: op dit moment wordt begonnen aan een verbouwing van de nog maar kort geleden al helemaal gerestaureerde Zuidvleugel, die na afloop van de restauratie van het hoofdgebouw nóg een keer verbouwd zal worden. Voer voor de schandaalpers natuurlijk, en daarom waarschijnlijk ‘low profile’ gehouden – hoewel er goede redenen voor de gang van zaken zijn.

Misschien nog wel ernstiger dan de angst voor openheid en discussie die uit de goed-nieuws-show van de publiciteitsafdeling van het Nieuwe Rijksmuseum blijkt, is dat op deze manier ook een aantal belangrijke ontwerpproblemen die nog niet of nauwelijks zijn opgelost buiten beeld blijven. De genoemde toren is daar één van. Een ander is de onderdoorgang (die overigens wel te zien is in de 3D-presentaties). In het nu gepresenteerde ontwerp wordt deze prachtige bijna sacrale ruimte in de lengte in tweeën gedeeld door een glazen wand die het fietspad van de doorgang en ingang voor voetgangers scheidt. Misschien is dit monstrum bedoeld als aanzet om de fietsers toch nog uit de doorgang te krijgen, maar in ieder geval is duidelijk dat de functionele organisatie van de onderdoorgang, die tegelijk ingang en straat moet zijn, nog lang niet bevredigend is opgelost.

Buitengewoon problematisch is ook de kwestie verwarming en ventilatie. In de kranten hebben we kunnen lezen dat een groot deel van de buizen en andere installatietechniek in een tunnel om het oude gebouw kunnen worden ondergebracht. Een prachtige oplossing, die overigens al in de negentiende eeuw is uitgevonden. Wat er niet bij is verteld, is dat er uiteindelijk ook buizen naar binnen moeten, en het buitengewoon lastig is die allemaal in te passen. Verschillende varianten, waaronder voorzetwanden of opzetvloeren, zijn de revue gepasseerd, en ook is gediscussieerd over de gewenste prestaties van het systeem. Een van de vragen is of je bij zo’n oud gebouw wel nieuwbouwkwaliteit moet willen: op zich al een debat waard. Maar dat is er dus niet geweest, in ieder geval niet in het openbaar. Wat de uiteindelijke uitkomst is geworden, weten alleen een paar ingewijden, terwijl de gekozen oplossing bepalend zal zijn voor het aanzicht van Cuypers’ museumzalen.

En dan is er de farce rond de interieurdecoraties: herstel ervan in de trappenhuizen, de voorhal en, misschien, de eregalerij, wordt als een grootse restauratiedaad gepresenteerd, maar is eigenlijk niet meer dan een onvermijdbare schaamlap voor bijna blind wit houden van de rest van het gebouw. Bijna blind, omdat de begroting voor bouwhistorisch onderzoek in het afgelopen jaar fors is gereduceerd, en het daardoor uitgeklede onderzoek langzamerhand zo ver is uitgesteld dat een belangrijk deel pas plaatsvindt na voltooing van het definitief ontwerp. Dat is gemiste kansen (en technische en financiële risico’s) inbouwen. En waarom? Is het behalve Hollandse zuunigheid misschien weer angst, voor kleur en versieringen?

De officiële argumentatie om de (tentoonstellings)zalen wit te houden is namelijk verbazend naief: de tentoon te stellen kunst zou de drukte van gedecoreerde zalen niet aan kunnen. Dat is behalve inmiddels toch wel ouderwets modernistisch, ook dubbele onzin. Ten eerste komt een groot deel van die kunst immers uit drukke kerken, kloosters en woonhuizen. Ten tweede: natuurlijk, een museum is geen oorspronkelijke context, maar zelfs Cuypers kende zijn grenzen: verreweg de meeste museumzalen hadden alleen decoratie waar die niet of nauwelijks concurreerde met de collectie: tegen de plafonds en rondom de deuren. Die kwaliteit bewust verborgen laten terwijl het motto van de verbouwing ‘Verder met Cuypers’ zou moeten zijn, is ronduit een gotspe. Zeg dan maar gewoon dat Cuypers prima is, zolang je er geen last van hebt, of dat een negentiende-eeuws topmonument leuk is als publiekstrekker, maar moet ophouden waar het moderne museum begint.

Waarom niet de uitdaging (soms is er geen beter woord) aangaan, en kijken of we met wat er nog over is van de decoraties van Cuypers een kleurig, vrolijk en 21ste-eeuws museum kunnen maken, in plaats van een would-be modern gebouw?  Of op zijn minst die mogelijkheid serieus nemen, en de discussie aangaan met het publiek, de monumentenzorgers, andere museummensen? Gewoon, wat minder reclame, en wat meer gepraat. Daar zijn we goed in hier in Nederland, en debatteren met een volle portemonnee is ook wel eens een keer leuk.