Feature —

Directors of Space – Riek Bakker

Bert de Muynck

Als laatste gastspreker in de serie ‘Directors of Space’ nodigde de Academie van Bouwkunst Amsterdam vorige week de stedenbouwkundige Riek Bakker uit. Wat we kregen was ontwikkelingsplanologie voor beginners en gevorderden. Met vette hiphop.

Tijdens haar lezing, een enthousiasmerend pleidooi voor Ruimtelijke Regie, schetste Riek Bakker een somber beeld van de Nederlandse planologie, waarin een ‘organiserend vermogen’ (zie het falen van de Vijfde Nota) ontbreekt. Dit ontbrekende ‘organiserend vermogen’ legde ze in anderhalf uur uit, waardoor het zich liet herformuleren als een desinteresse in deze methode van werken. Want, merkte ze halverwege op, ‘dit vak is absoluut niet sexy’. En willen we dat niet allemaal zijn? Van stukadoors tot ministers van ruimtelijke ontwikkeling. De rauwe kost aan strategisch denken, analyses en operationalisering teneinde een stedelijk totaalproject op te zetten, is niet sexy. Waarom niet? Riek Bakker vertelde het ons. Zo overstijgt een ‘organiserend vermogen’ enerzijds ‘de waan van de dag’, anderzijds is het een constructief samenwerken met anderen disciplines, ergo ‘management’. Beide maken je niet van de ene op de andere dag geliefd en aanbeden. Welke instelling en benadering zijn er dan wel nodig? Consistent zijn en dat blijven.

Tijdens een onaantrekkelijk vormgegeven presentatie (onder het motto ‘strategie gaat niet over plaatjes’) schetste self-made-woman Riek Bakker de relatie tussen haar CV en praktijk: studies als landschapsarchitecte, vervolgens werkzaam op een stedenbouwkundig bureau, een gedeelde eerste prijs in het ontwerp voor het Parc de la Villette (Parijs, 1984), de oprichting van Bakker en Bleeker, directeur stadsontwikkeling in Rotterdam (1986-1993) en uiteindelijk haar eigen BVR (Bureau van Riek).

Riek Bakker is natuurlijk de Kop van Zuid. Onder haar supervisie ontwikkelde dit stukje Rotterdam, met de rivier als belangrijkste kapitaal, zich tot een gebied dat met de Erasmusbrug een referentiepunt kreeg. Vertrekpunt voor deze operatie, was een 30-punten kaart, waarbinnen – en dat lijkt nu wel heel evident – gebiedsontwikkeling in een alliantie tussen verschillende bevoegdheden werd bediscussieerd, geclusterd en geoperationaliseerd. Daarna belichtte ze het UCP Utrecht waarin de spanningen tussen lokaal, nationaal en regionaal niveau tot niets hebben geleid. Hier was ook haar visie duidelijk: ‘of je het nu mooi vindt of lelijk, dat doet er niet toe, duidelijk is dat er wat moet gebeuren’. Met de Zuiderzeelijn schetste ze een beeld van de Groningse cultuur in combinatie met de landelijke infrastructuurvisie. Haar analyse was dat door het niet operationaliseren van die lijn, Nederland haar concurrentiepositie binnen Europa op het spel zet. Bereikbaarheid met Noord-Duitsland (en dan allicht uitwaaierend richting Denemarken, Polen en Litouwen) moet nu reeds voorzien worden in plaats van radicaal te kiezen voor de protectionistische Randstedelijke versterking.

De strategische methode binnen BVR lijkt zo weggelopen uit een proefschrift ‘logica voor beginners’. BVR staat voor strategisch advies, proces- en inhoudsmanagement en ‘vooruit kunnen denken’. Wie in de zaal deze skills had, wist wat zou volgen. De werking verbeeldde ze door een piramideschema met supervisie aan top, proces en inhoud onderaan en met tussen in drie stappen (inhoudelijk, tactisch en strategisch) waarbinnen opdrachtgevers, marktpartijen en overheden met Riek aan de slag kunnen. Zo kunnen ze ‘de problemen opzoeken, want dat zijn de kansen’. Ontwikkelingsplanologie is oorlog, waarbij het kennen van je vijanden een grote troef is. En die kennis uitbuiten, een voordeel. Verder zette Riek Bakker in op een belangenanalyse om de algemene deler binnen het proces op te sporen – Is er urgentie voor dit plan? Is er ambitie? Wat is het reële probleem? – en op de noodzaak van meerwaarde. Gekende kost voor iedere theoretische strateeg, maar enkel te testen in de praktijk. Zo zagen we toepassingen hiervan in haar plannen voor het ‘City Quadrant’ van Rotterdam (de stille diplomatie), de ‘Spoorzone’ in Haarlem (ontvlechtingstrategie en herstelprojecten), Helmond (communicatiestrategie), Leidsche Rijn (verbinden van vakdisciplines, publieke opinie en politiek) en São Paulo (meerwaarde door clustering van problemen). Hierin zagen we enkel strategieën en ‘management’ waardoor de vraag rees of er wel garanties waren voor kwaliteitsvolle architectuur, los van de ambitie van een meerwaarde. Riek Bakker bepaalt vanuit haar positie stedelijke agenda’s, terwijl ze zich afzijdig lijkt te houden van iedere uitspraak over de invulling, mooi of lelijk.

Riek Bakker gaf een incrowd lezing en wierp losjes een antropologie van beslissingsmakers (uitblinkers, actievoerders, rationelen en meegevenden) op tafel, een uit de praktijk gedestilleerde onderverdeling (deze heb je in Utrecht, deze in Groningen) die ik weinig anderen zie maken. Vervolgens pleitte ze voor een cultuuromslag in het planologisch denken, waarbij organisatie en inhoud verweven worden. Zo zag ze een toekomstige grote(re) rol weggelegd voor de lokale belangengroepen binnen het stedelijk debat. Door die zo op een piëdestal te plaatsen (ken uw vijanden) lijkt ze te opteren voor een silent takeover, eerder dan in te moeten beuken op de tegenstand inzake lokale gevoeligheden. Een methode die potentieel populistisch gewauwel inzake planologie vanaf dag één van repliek dient. Een gedwongen participatiestrategie die ze met succes toepaste bij Parkstad Rotterdam. Met wat sterke sturing en inzicht wordt stedenbouw zo stillekens van een revival van de jaren ’70 behoedt.

Als advies voor de zaal, en Nederland in het algemeen, schudde Riek Bakker nog een oneliner uit haar mouw met betrekking tot het ontwikkelen van het ‘organiserend vermogen’: ‘Stedenbouwers moeten hiphoppen. Als je langs alle kanten van de tafel zit, weet je wat er speelt en kan je wat bereiken. Dat geeft voldoening in een niet noodzakelijk sexy professie.’ Hiphoppen dus. Check!