Recensie —

Frits en Kas

Piet Vollaard

In het Haarlemse architectuurcentrum ABC is tot 30 november een combinatietentoonstelling van het werk van Frits van Dongen en Kas Oosterhuis te zien. Twee architecten waarvan het huidige werk ogenschijnlijk ver uiteenloopt, maar die desondanks samen aan hun loopbaan als architect begonnen. Dat begin verdient meer aandacht dan er op de tentoonstelling wordt geboden.

De gezamenlijke achtergrond is op de tentoonstelling aanwezig als behang: enorme, wandhoge uitvergrotingen van de (pen)tekeningen van een aantal projecten die in de zomer van 1980 werden gepubliceerd in Plan (Plan 6/1980). Onder de titel 'Actieve strategie van planning en architectuur' presenteerden Van Dongen & Oosterhuis in dat nummer een tekst –  inclusief een reeks beelden van ' foute'  (Almere, Blom, Van Eyck, Venturi, Graves) en 'goede' (SOM, Niemeyer, Constant, Leonidov, Koolhaas) architecten – met uitgangpunten voor een nieuwe architectonische en stedenbouwkundige strategie. De bedachte vormloosheid, het vervalsend historicisme, de overgevoeligheid voor de kleinste details en de socio-psychose (het 'mystificerende karakter van de therapeutisch-humanoide architectuur') die de Nederlandse architectuur van de late jaren zeventig domineerden; het moest allemaal anders. Daarmee sloten ze aan op de discussie van de 'neo-rationalisten' als Weeber, Hoogstad en Quist, die eerder in Plan was gestart en die eveneens de door Weeber bondig samengevatte 'nieuwe truttigheid' als belangrijkste mikpunt had.

Anders dan het werk van deze oudere generatie, konden de gepubliceerde projecten van de jongeren Frits van Dongen en Kas Oosterhuis echter geen puur rationele, louter op de helderheid van het modernisme van de jaren vijftig teruggrijpende plannen worden genoemd. Ze hadden een zekere surrealistische twist. Daarmee sloten ze – ook in de tekenstijl – veel meer aan op het toenmalige werk van Koolhaas, dan op dat van leermeester Weeber. Deze schatplichtigheid aan Koolhaas is het meest duidelijk in hun gezamenlijke inzending voor de prijsvraag voor het Hallengebied in Parijs, een inzending die – evenals Koolhaas' inzending voor de prijsvraag voor de Tweede Kamer enige jaren eerder – totaal afweek van de stijl en intenties van de overige bijdragen.

De samenwerking tussen Van Dongen en Oosterhuis was in die jaren innig en algemeen werd verwacht dat ze gezamenlijk de voorhoede van een broodnodige verjonging van de Nederlandse architectuur zouden gaan vormen. Toch waren ook toen al verschillen in aanpak herkenbaar. Naast  het gezamenlijke plan voor de Hallen, publiceerde Kas Oosterhuis een eigen (afstudeer)plan: Strook door Nederland. Dit plan, ontstaan toen de MVRDV'ers net aan hun studie begonnen, kan met terugwerkende kracht zonder meer de eerste 'Datascape' worden genoemd, het preludeert bovendien op Koolhaas' Puntstad en levert en passant ook een strategie voor 'Wild Wonen'.

De Strook is volgens Oosterhuis een concentraat van de gedachte dat Nederland nog lang niet vol is. Met een dichtheid van 100 inwoners/hectare is, in een circa 5 kilometer brede strook die op de kaart van Texel tot De Bosch loopt, plaats voor alle 14 miljoen inwoners die Nederland op dat moment telde. Voor deze strook – een absolute alien – stelt Oosterhuis twee mogelijke programmatische wetsvoorstellen voor. ' Wetsvoorstel A: 90% van alle te verrichten bouwactiviteiten vindt plaats in de Strook, 10% als commentaar op de verhouding tussen Nederland en de Strook. Wetsvoorstel B (indien A niet van kracht wordt): binnen de Strook zullen alle bestaande bestemmingen, regels en voorschriften worden opgeheven.' Het project vervolgt met een invuloefening van een deel van de strook nabij Amersfoort, maar dat is uitwerking. In feite wordt alles wat het plan wil samengevat in die twee wetsvoorstellen en die ene kaart van Nederland waarop de Strook is ingetekend. Achteraf gezien is dit plan een briljant moment van inzicht geweest en zou het zeker als de kiem van de huidige diagrammatica in de architectuur worden erkend, als het niet bij deze ene publicatie was gebleven – ook Oosterhuis zelf heeft het daarna nooit meer naar voren geschoven.

Waar Oosterhuis een theoretisch plan van een hoog abstractieniveau presenteerde, publiceerde van Dongen als eigen bijdrage het ' grid als actieve simulator', dat veel concreter en directer toepasbaar leek. Het is een 'scenario' voor een grid van zestien torens, 'simulation points' voor nieuwe ontwikkelingen in de bestaande structuur van Amsterdam, dat werd geïllustreerd door een plan voor een stadhuis in de Amsterdamse binnenstad. De discussie over de nieuwbouwplannen voor het Amsterdamse stadhuis waren toen nog volop gaande en Van Dongen constateerde dat er al een stadhuis was: het paleis op de Dam. Twee torens worden 'geextrudeerd' uit de binnenplaatsen van het Paleis. Als typisch Nederlands monument wordt een 'muur van bureaucratie ter bescherming van ambtenarij' opgericht tussen het paleis en het nationaal monument (beiden 'verworden tot symbolen van macht, monarchie, respectievelijk onmacht, anarchie en subcultuur).

De nationale schaal van Nederland versus de kleine schal van een historische binnenstad, het ligt ver uit elkaar, maar toch gaan beide voorstellen er van uit dat het mogelijk moet zijn om met een combinatie van rationeel én surrealistisch modernisme (aan de bestaande structuur wezensvreemde 'aliens') vernieuwende impulsen te geven aan de dichtgeslibde architectuur en stedenbouw van die tijd.

Daarna liepen hun carrières snel uiteen. Kas Oosterhuis begon, na korte tijd met Peter Gerssen te hebben samengewerkt, aan een eigen bureau dat zich, zeker nadat hij zijn partner beeldend kunstenares Ilona Lenard ontmoette, consequent ging bezig houden met de verkenning van de nieuwe (computer)technologie en met de integratie van kunst en intuïtie in de architectuur. Zijn loopbaan wordt daarmee vooral gekarakteriseerd door Research by Design, hoewel steeds gericht op het daadwerkelijk bouwen. Nog steeds is een belangrijk uitgangspunt de injectie van het wezensvreemde in een bestaande context, als een 'ruimteschip' dat landt op de locatie en dat zich vervolgens richt naar lokale condities. Het geloof in en de noodzaak van technologische vernieuwing – ook onderdeel van de gezamenlijke uitgangspunten – is bij Oosterhuis veel manifester aanwezig gebleven dan bij Van Dongen.

Frits van Dongen associeerde zich met de 'rationalisten' van de Architecten Cie. en was mede daardoor in staat veel en grote projecten te realiseren in binnenstedelijke situaties. Zijn programma van zestien gridpoints in de Amsterdamse stadsstructuur is bijna voltooid (of misschien is hij dat aantal al gepasseerd). Beide voormalige bentgenoten produceren sculpturale gebouwen; Oosterhuis vloeiende aliens, Van Dongen grootschalige blokken, waarvan de vorm juist uit lokale condities voortkomt.

Frits en Kas, appels en peren, maar wel beiden fruit. Misschien dat deze duo-expositie aanleiding is om weer eens wat meer met elkaar te gaan samenwerken. Dan kan Kas eens profiteren van de veel te volle opdrachtenportefeuille van Frits en kan Frits wellicht van Kas leren hoe hij de intuïtieve vloeiende vorm van zijn held Niemeyer in zijn werk kan incorporeren.