Recensie —

Het onbekende Leningrad

Marina van den Bergen

Onlangs zijn het Nederlands Architectuurinstituut en het Staatsmuseum voor geschiedenis in St. Petersburg een kennisuitwisselingsprogramma gestart. Om dit te vieren is in het NAi een expositie te zien van een aantal bijzondere architectuurtekeningen.

De kennisuitwisseling heeft betrekking op het beheer, behoud, restauratie en presentatie van architectuurtekeningen. Het Staatsmuseum bezit namelijk mappen vol tekeningen die decennia lang niet zijn aangeroerd en veelal behorend tot onbekende archieven. Uit deze collectie zijn nu dertien tekeningen van constructivistische ontwerpen voor de stad Leningrad te zien.  in het NAi.

Deze tekeningen in het NAi verbeelden stuk voor stuk het optimistische geloof in een betere toekomst. De nieuwe Sovjet burger zou omringd worden door kunst en architectuur die vorm ging geven aan de nieuwe socialistische staat. De ontwerpen vormden een breuk met het zo populaire classicisme uit de tsaristische jaren. Anders dan de enorme aandacht van architecten en historici voor deze constructivistische architectuur doet vermoedden, was er slechts in een zeer korte periode – van 1925 tot 1932 – werkelijk sprake van een constructivistische architectuurstroming, en zijn ondanks de vele plannen slechts een handjevol tot uitvoering gekomen.

De eerste jaren na de revolutie werd er niet of nauwelijks gebouwd, en wat er ontworpen en gebouwd werd was nog steeds classicistisch. Pas nadat de Sovjet avant-garde in de muziek, literatuur, typografie, schilder- en beeldhouwkunst nieuwe uitdrukkingsvormen had gevonden, volgden de architecten. Het constructivisme waarover in 1921 voor het eerst wordt geschreven, moest vorm geven aan de nieuwe wereld van het proletariaat. In het door Alexeï Gan opgesteld manifest werden constructie, tektoniek en functie als belangrijkste uitdrukkingsmiddelen gezien en van enige continuïteit met het verleden kon geen sprake zijn. De nadruk lag op het produceren en alle niet functionele toevoegingen moesten weggelaten worden; voor architecten dienden industriële en fabrieksgebouwen tot voorbeeld.

Midden jaren 20 was een uiterst gunstige periode voor architecten: er lagen nieuwe en grootse bouwopgaven die in een korte periode veelal zonder geschoolde bouwvakkers gerealiseerd moesten worden. De sobere vormentaal van het constructivisme voldeed aan de wens voor een nieuwe uitdrukkingsvorm én aan die van doelmatigheid. In Leningrad werden in het Kirov-district tussen 1925 en 1932 een aantal constructivistische gebouwen gerealiseerd waaronder het Gorki cultuurpaleis (A. Gegello en D. Kricevki (1925-1927), de School van het tienjarig jubileum van de revolutie (A. Nïkolski 1925-1927) en een van de eerste sociale woningbouwprojecten in Leningrad van A. Nïkolski, A. Gegello en G. Simonov (1925-1927).

Na 1930 kwam er steeds meer kritiek op de constructivistische vormentaal, het revolutionaire elan zou er te weinig in tot uitdrukking komen. En hoewel de inzendingen voor de vele uitgeschreven prijsvragen grotendeels constructivistisch waren, werd de gebouwde realiteit steeds classicistischer. De voorkeur van de nieuwe machthebbers voor deze stijl als uitdrukking van de grootsheid en de macht van het proletariaat werd uitgesproken in 1932. De prijsvraag voor het Paleis voor de Sovjets in Moskou waaraan ook bekende architecten als Le Corbusier, Erich Mendelsohn en Walter Gropius meededen, werd gewonnen door Boris Iofan. Zijn ontwerp betrof een gebouw in de vorm van een zuil met daarop een meer dan levensgroot standbeeld van Lenin. De beslissing om dit ontwerp te laten winnen werd door velen als normatief ervaren en het zogenaamd sociaal realisme won zeer snel aan populariteit.

De fraai vormgegeven en zeer bescheiden expositie in het NAi toont tekeningen uit de periode 1927-1930. Het is hopen dat de samenwerking tussen het Staatsmuseum en het NAi eens zal leiden tot een grotere expositie over architectuur in de Sovjet Unie in de jaren twintig, een expositie waarin ook plaats is voor het Sovjetwerk van Mart Stam, J.B. van Loghem en Johan Niegeman, van wie de archieven zich in het NAI bevinden.