Feature —

15 jaar Europan

Lotte Haagsma

Europan bestaat 15 jaar en dat vormde de aanleiding om eens kritisch naar de prijs te kijken. Wat waren de doelstellingen toen en nu, wat komt ervan terecht en wat kan er in de toekomst verbeterd worden? Deze en andere vragen werden gesteld door Arnold van Reijndorp, Ton Verstegen, Ivan Nio, Margriet Pflug en Pieter Rings. Het resultaat van hun onderzoek is samengevat in het boek ‘Ontwerpen aan de Europese stad – 15 jaar Europan in Nederland’.

In 1988 neemt de Franse organisatie PAN (Programme d’Architecture Nouvelle) in Parijs het initiatief tot Europan. Zij zoeken contact met instellingen voor architectuur in verschillende Europese landen om de prijsvragen voor jonge architecten die zij ieder jaar organiseren uit te bereiden naar Europees niveau. In 1989 gaat Europan van start in Nederland, België, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Italië, Griekenland en Spanje.

Europan heeft niet alleen tot doel kansen te bieden aan jonge architecten, met publiciteit en een eerste bouwopdracht, maar is vanaf het begin ook bedoeld om nieuwe ideeën te genereren voor de transformatie van de Europese stad. Voor PAN was het belangrijk om een bijdrage te leveren aan de Europese eenwording, om het meer te laten zijn dan een politiek en financieel-economisch project.

Voor jonge architecten is Europan uiteraard vooral een manier om een eerste belangwekkend project ter realisatie binnen te slepen. Hun motivatie wordt nauwelijks bepaald door het willen meedenken over de ontwikkeling van de ‘Europese stad’. Margriet Pflug interviewde een aantal Europan-winnaars over hun ervaringen en de invloed die het winnen van de prijs voor hun architectuurpraktijk heeft betekend. Het winnen van Europan was voor velen hét moment om een eigen bureau te starten. Er is veel publiciteit rond de winnaars. Ook bij potentiële opdrachtgevers doet de prijs het goed, hoewel die aandacht de laatste jaren minder is, het nieuwe is er een beetje af. Overigens zitten er aan de bouwopdracht die Europan-winnaars krijgen nogal wat haken en ogen. Tot en met Europan 5 waren er vijftien 1e prijswinnaars. Daarvan zijn acht projecten uiteindelijk (soms pas jaren later en op een alternatieve locatie) gerealiseerd en is er één in aanbouw. Dat is in vergelijking tot de andere deelnemende landen een hoge score, maar het betekent ook dat het winnen van Europan niet zonder meer leidt tot een gerealiseerd project.

Voor PAN is het stimuleren van jonge architecten nooit de meest wezenlijke doelstelling van Europan geweest. Nieuwe en ‘frisse’ ideeën moesten gemobiliseerd worden om de architectuur en stedenbouw te vernieuwen en het internationale debat te bevorderen. Achterliggende gedachte was: weerstand te bieden aan het proces van uiteenvallen van de Europese stad.

Ton Verstegen onderzocht of de winnende ontwerpen inderdaad leidden tot nieuwe benaderingen van de stedelijke transformatieopgaven. Een van de problemen hierbij is de koppeling tussen idee en realisatie, die als uitgangspunt nastrevenswaardig is, maar in de praktijk vaak tot problemen leidt. De kloof tussen de nogal abstracte thema’s en de alledaagse problematiek van de locaties en opgaven zorgt regelmatig voor nogal ‘brave’ projecten die zich vooral focussen op haalbare oplossingen voor een specifieke locatie. Daarbij komt dat áls de winnende projecten worden gerealiseerd, veel van de complexiteit uit de projecten verdwijnt. Verstegen komt tot de conclusie dat het belang van Europan niet zozeer ligt in het ontwikkelen van nieuw ideeën, hoewel hij er wel een aantal signaleert, maar meer in de functie als selectiemechanisme voor getalenteerde ontwerpers. Want die zijn zeker wel boven komen drijven bij Europan.

Ivan Nio signaleert dat de jury’s bij de beoordeling van de projecten het vaak nauwelijks hebben over het vanuit de Europan-organisatie opgelegde thema. ‘De vraag wat ontwerpers nu precies doen met de thema’s wordt niet beantwoord. En dat is raar, want daar was het immers allemaal om begonnen.’ De jonge architecten laten zich vooral inspireren door de locaties. Er is daarbij, vooral de laatste afleveringen van Europan, veel kritiek op de vaagheid van de thema’s – o.a. het resultaat van de consensus die wordt gezocht tussen de verschillende deelnemende landen.

Reijndorp vraagt zich af of het Europan-effect aan het ‘verdampen’ is. De deelname van jongen architecten is bijna routine geworden – voor op het cv, maar opdrachtgevers zijn van die aantekening steeds minder onder de indruk. Het netwerk van Europan-gemeenten en -opdrachtgevers lijkt eerder te krimpen dan uit te breiden en de thema’s zijn onderhevig aan slijtage. Europan staat volgens hem voor de keuze om ofwel door te gaan als een prijsvraag die jonge architecten op weg helpt, of om opnieuw geformuleerd te worden tot een inspirerende prijsvraag over de Europese stedelijke conditie. Bij dat laatste kun je je afvragen of een prijsvraag daar de geëigende vorm voor is.

In het voorwoord van het boek geven bestuur en directie van Europan Nederland aan tot welke goede voornemens de uitkomsten van het onderzoek hebben geleid. Men wil vasthouden aan ‘de paradox van ideeënprijsvraag en het realiseren van een gebouw op basis van die ideeën’. Europan Nederland is nog steeds van mening dat deze formule juist tot vernieuwingen kan leiden. Verder hoopt ze dat de thema’s meer toegesneden zullen raken op de locatie, door eerste locaties te zoeken en dan te kijken welke thema’s daarbij boven komen drijven. Het internationale ‘overall-thema’ thema zou dan ‘de toekomst van de Europese stad’ moeten zijn. Volgens hen wordt het dan ook makkelijker om een debat op gang te brengen naar aanleiding van ‘de werkelijkheid van alledag’. Een typisch geval van de pragmatische instelling die Arnold Reijndorp ook onder Nederlandse critici en theoretici signaleert: ‘zij zijn er niet in geïnteresseerd of een theorie waar is, maar of iets werkt.’ Beetje schaven aan de formule maar geen grondige veranderingen dus, wat betreft Europan Nederland.