Opinie —

Architect en auto

Piet Vollaard

Architecten hebben wat met auto’s, dat is algemeen bekend. Maar wordt deze liefde eigenlijk wel beantwoord en hebben autoliefhebbers wat met moderne architectuur?

1. ontwerp automuseum Den Haag Michael Graves

Vanaf het moment dat Le Corbusier een automobiel vergeleek met het Parthenon is de auto een toetssteen voor moderne architectuur. Is een auto een machine om voort te bewegen, dan is een huis een machine om te wonen. Wordt een auto industrieel vervaardigd, dan moet dat ook met gebouwen kunnen. Architecten rijden ook graag in mooie auto's. Er is een tijd geweest dat je een architect kon herkennen aan zijn Citroen DS. In de recente documentaire van Jord den Hollander over architect Maaskant kon Carel Weeber de verhoudingen in de Rotterdamse architectuur van de jaren vijftig en zestig beeldend uiteenzetten aan de hand van de auto's waarin architecten reden. Maaskant, passend bij zijn postuur, in een grote Amerikaan, Groosman, passend bij zijn enorme opdrachtenportefeuille, in een Rolls Royce en Van den Broek ook in een Amerikaan, maar dan eentje waarvan volgens Weeber om redenen van calvinistisch functionalisme de staartvinnen waren afgezaagd. De verhoudingen zijn tegenwoordig wat minder helder, maar de liefde voor de auto is nauwelijks verminderd. Vooral de techneuten onder de architecten verwijzen nog steeds met enige afgunst naar de automobielindustrie, waar alles zoveel beter geregeld is. Daarmee vergeleken is het in de bouw maar een beetje aanmodderen.

Dat gemodder werd onlangs weer eens pijnlijk geïllustreerd door een opmerkelijke krantenfoto met de kop 'Tankstation Dudok onderweg'. Wie aan de hand van deze titel soms mocht denken dat we hier te maken hebben met een vorm van (auto)mobiele architectuur, heeft de foto niet gezien. Aan een troosteloze, verregende kade stond een tachtigwieler dieplader geladen met een 108 ton wegend tankstationnetje. Met een snelheid van twintig kilometer per uur was het voorzichtig vanuit het Autotron in Rosmalen naar de rivier vervoerd. Van daaruit zou het worden overgetakeld op een ponton om over het water naar een automuseum in Raamsdonkveer te worden versleept. Het was een aandoenlijk gezicht om het 'luchtige' gebouwtje van Dudok zo evident zijn zwaarte tentoon te zien spreiden. Met name de forse betonklont die kennelijk als fundering diende moet menig autofiele architect de tranen in de ogen hebben doen springen. Een gebouw is geen auto, zoveel maakte de foto wel duidelijk.

Het tankstation is als één van de twee laatste overgebleven uit een serie van 150 in de jaren vijftig gebouwde identieke stations. Het was al een keer van zijn oorspronkelijke standplaats aan de A2 naar Rosmalen verplaatst, en met de huidige verhuizing houdt het niet op. In 2006 zal het wellicht weer versleept gaan worden. Er is namelijk een nieuw automuseum gepland in Den Haag. De architect is al bekend: de Amerikaan Michael Graves die ook verantwoordelijk is voor het duo overmaatse puntdaken waarmee hij een gestript kantoorgebouw in het centrum van Den Haag versierde. Auto's zijn veredelde koetsen, zo moet Graves gedacht hebben en dus is het negentiende-eeuwse koetshuis een passende typologie voor een automuseum, inclusief oranjerode baksteen, koperen puntdaken, ruitjesramen en een overmaatse Hollandse vlag fier in de top. Het was autominnende architecten altijd al een raadsel hoe iemand tegelijk in een flitsend nieuwe auto kon rijden en toch het liefst in een Vinexwoning met 'historische details' wilde wonen. Wie nog steeds mocht denken dat de liefde van de moderne architect voor de auto wordt beantwoord door een wederzijdse liefde van de automobielliefhebber voor moderne architectuur, wordt met het gepubliceerde ontwerp van Graves eens te meer uit de droom geholpen.