Recensie —

Grote verbouwing, grote verplaatsing, grote vernieling of grote vernieuwing? 2

Vladimir Stissi

De grote vernieuwingsmachine is op stoom gekomen. Iedere naoorlogse woonwijk in Nederland lijkt er aan ten prooi te vallen. Er wordt driftig gerenoveerd, geherstructureerd of opgewaardeerd. Omdat weinig mensen voor hun lol in de herstructureringswijken gaan kijken, gebeurt dat alles wel een beetje uit het zicht van de goegemeente. Het is daarom mooi dat de eerste resultaten van de vernieuwing nu comfortabel bekeken kunnen worden in het boek De Grote Verbouwing en de gelijknamige tentoonstelling in het Nederlands Architectuurinstituut.

Nadat er eerder al flink wat aandacht is besteed aan individuele projecten, en er ook wat tamelijk abstracte, algemenere onderzoeken zijn verschenen, biedt De Grote Verbouwing voor het eerst een bredere blik op wat er echt in de buitenwijken aan het gebeuren is. Zowel het boek als de tentoonstelling bieden analyses en uitgebreide documentatie van dertien grote herstructureringsprojecten, tezamen met een beknoptere blik op meer dan 150 projectjes en projecten, grotendeels aangeleverd door de trotse ontwikkelaars en ontwerpers zelf. Het boek biedt daarnaast een paar korte overtuigende essays en op de tentoonstelling zijn nog Tv-documentaires en historische ontwerptekeningen te zien.

De ruime blik van De Grote Verbouwing gaat wel wat ten koste van de diepgang, maar dat neemt niet weg dat in woord en beeld wel de nodige discussiepunten bovenkomen – hoewel sociaal-maatschappelijke aspecten goeddeels buiten beschouwing blijven. De punten van aandacht vormen een bekende, weinig vrolijk stemmende riedel: vaak is de plannenmakerij te versnipperd, waardoor de ooit als één geheel opgezette wijken programmatisch en esthetisch uit elkaar vallen in een lappendeken van deeloplossingen die elkaar soms in de weg zitten. Veel van die deeloplossingen trekken zich ook weinig aan van hun stedenbouwkundige en architectonische context, en worden daardoor eilandjes die niets bijdragen aan hun omgeving. Dat alles wordt nog versterkt doordat opdrachtgevers, vooral waar de centrale regie ontbreekt, en soms noodgedwongen, vaak voor de makkelijke en rendabele oplossing voor de korte termijn kiezen en hierdoor het grote geheel uit het oog verliezen. Zo wordt opvallend veel laagbouw door laagbouw vervangen, terwijl de aangrenzende en vaak veel minder aantrekkelijke hogere bebouwing wel mag blijven staan. Voorts valt op dat goedbedoelde ideeën over verdichting en sociale beheersbaarheid in veel wijken leiden tot het volbouwen van openbare ruimte en groen – ook altijd handig voor doorstroming uit nog te slopen blokken. Juist een dergelijke opvulling van de openheid zorgt voor een verschraling die uiteindelijk de aantrekkelijkheid van buurten eerder verkleint dan vergroot. De architectonische kwaliteit van veel, maar gelukkig lang niet alle, nieuwbouw geeft in dit kader ook vaak te denken, al valt over smaak natuurlijk te twisten.

Pendrecht, Rotterdam renovatie Van Schagen Architecten

Gelukkig is er ook goed nieuws. Uiteraard zijn er ook naoorlogse wijken waar praten, nadenken en ontwerpen heeft geleid tot inspirerende plannen, die hun doelstellingen lijken te kunnen waarmaken en een werkelijke impuls geven aan het plangebied en zijn omgeving. Zoals ook in het boek herhaaldelijk wordt geconstateerd zitten daar opmerkelijk veel conserverende plannen bij, dat wil zeggen plannen die de bestaande ruimtelijke kwaliteiten en/of (delen van) de bestaande bebouwing als positief uitgangspunt nemen, en niet helemaal opnieuw willen beginnen. Zo valt ook op dat men juist met renovaties van gebouwen vaak de spannendste, meest gedifferentieerde programma’s weten te realiseren, soms met behoud van de oude architectonische kwaliteit, soms juist door een flitsende nieuwe jas toe te voegen. Paradoxaal genoeg biedt die verketterde, saaie wederopbouw in al zijn degelijkheid ruime flexibele casco’s en verkavelingen in comfortabele dichtheden, die in de zuinigheid van tegenwoordig helemaal niet meer te realiseren zijn bij complete nieuwbouw. Wat dit betreft lijkt de potentiële kracht van de naoorlogse woonwijken opvallend veel op die van het Oostelijk Havengebied in Amsterdam of de Maasoevers in Rotterdam: de geschiedenis biedt de ruimte die iets bijzonders mogelijk maakt. Juist vernieuwing zonder vernieling is daarom de beste basis om die zo gewenste concurrentie met de VINEX aan te gaan.

Het is doodzonde en onbegrijpelijk dat behalve veel bewoners, een paar ontwerpers en nog wat gekke architectuurhistorici bijna niemand die oude intrinsieke kwaliteiten lijkt te zien. Hopelijk helpt De Grote Verbouwing om meer ogen te openen!