Feature —

Over schoonheid gesproken

Janneke van Bergen

Herman Zeinstra en Liesbeth van der Pol werden afgelopen maandag aan de tand gevoeld door Bernard Hulsman in het ABC-centrum te Haarlem. Een verslag van Janeke van Bergen.

De discussieavond, met als thema de relatie tussen kunst en architectuur, was georganiseerd in het kader van de tentoonstelling die beide architecten op dit moment in het ABC hebben. Zeinstra en Van der Pol gaven eerst een korte presentatie van hun werk, al dan niet in relatie tot de beeldende kunst. Herman Zeinstra was in het begin van zijn loopbaan werkzaam als kunstenaar. De uitlopers hiervan, zowel grafisch als conceptueel (gelaagdheid) zijn in zijn werk terug te vinden. Volgens Zeinstra bestaat de relatie tussen architectuur en kunst vooral uit de 'noodzaak tot spelen', en 'dingen niet te serieus te nemen'. De onpretentieuze en grappige manier waarop hij zijn werk presenteerde sprak hierbij boekdelen.

Liesbeth van der Pol was wat dat betreft wat stelliger. Alhoewel ze zich niet echt uitliet over haar werk als kunst had ze wel hele duidelijke ideeën over de achterliggende waarden ervan. Met krachtige woorden zette zij haar gedachtegoed hierover uiteen, dat gaat vooral in op het idee van de identificatie van het gebouw. Van der Pol beschouwt architectuur niet als kunst. Architectuur moet vooral vanzelfsprekend zijn, zodat mensen zich met een gebouw kunnen identificeren. In ieder geval niet een architectuur waar eerst nog een intellectueel verhaal bij hoort, willen mensen het waarderen. Of deze identificatie nu uit de functie of uit de scheppingsdrang van de architect geboren wordt, bleef in het midden.

In de discussie die volgde werd het koppel hierop ondervraagd. Volgens Zeinstra geeft de functie het gebouw zijn bestaansreden, maar niet zijn bestaansrecht. Waar dit aan moet worden ontleend? Aan de kunst? Aan schoonheid? Volgens Van der Pol is spreken over schoonheid in de architectuur taboe geworden, not done. Zij probeert sommige van deze gedachten juist weer toe te laten, om zo het gebouw in ieder geval karakter te geven.

Over schoonheid gesproken, hoe moet dat nu met Vinex? En zal de Vijfnex dan wel stedelijke schoonheid gaan opleveren? Bernard Hulsman en de zaal hadden hier zo hun eigen pessimistische ideeën over. De eeuwigdurende klaagzang over de Vinex dus, en ja er moet een betere stedenbouw komen. Het is maar dat we het weten.

Terug naar architectuur en kunst; in de vraag over haar eigen stijl vertelde Van der Pol dat in het recent verschenen boek over haar werk wel een zeker handschrift is terug te lezen, maar dat ze dat nooit bewust heeft ingezet. Vaak twijfelt ze over een ontwerp, en wil ze er dieper op ingaan. Met haar aquarellen probeert ze een antwoord te vinden. Haar twijfels brachten haar 12 jaar geleden ook in contact met Herman Zeinstra, die haar de expertise en het vertrouwen bood om een eigen bureau op te richten. Inmiddels zijn beide bureaus in een atelier samengekomen en hoewel elk een eigen portfolio handhaaft is de eenheid duidelijk aanwezig. Zelf waren ze ook verbaasd over dat, hoewel ze eigen werk presenteerden, hun verhaal veel overeenkomsten vertoont. Het leverde uiteindelijk een aardig dubbelportret op, ondanks het belegen thema.