Recensie —

De Utrechtse muur

Erik Stekelenburg

De reizende expositie ‘Lelijk is geen argument. Toonbeelden van de wederopbouw in Nederland 1940-1965’ werd op 18 maart in Architectuurcentrum Aorta geopend met lezingen van Marinke Steenhuis en Noël van Dooren over hun onderzoek naar de Rietveldbuurt in Hoograven-Zuid.

De Rijksdienst voor de Monumentenzorg organiseert de tentoonstelling om aandacht te vragen voor de kwaliteit van de veelal in ongenade vallende wederopbouwarchitectuur. In elke stad wordt de tentoonstelling aangevuld met plaatselijke voorbeelden. In Utrecht heeft de afdeling Monumenten van de gemeente drie onderwerpen geselecteerd. Naoorlogse schoolgebouwen, het Rietveldcomplex in Hoograven en bruggen, pleinen, straatmeubilair en kunst in de openbare ruimte.

Eind 2002 werd Noël van Dooren door woningbouwcoöperatie BO-EX'91 gebeld met de mededeling: 'Er gaan hekken geplaatst worden om de binnenterreinen van de Rietveldbuurt, en zou je met ons mee willen denken wat we dan met die binnenterreinen zouden kunnen doen'. Deze vraag is aangegrepen voor een onderzoek in het kader van de Belvedèreregeling naar de manier waarop de geschiedenis van het gebied van betekenis kan zijn voor de toekomst.

De stedenbouwkundige van de gemeente Utrecht, Van der Stad, omschreef de buurt als volgt: 'Binnen een scherm van flats met vier etages staan zes blokken etagewoningen van drie woonlagen waardoor er drie binnenterreinen ontstaan, de middelste is toegankelijk voor auto's en ingericht als openbare speelplaats'. Het tijdschrift Goed Wonen omschreef de buurt rond 1959 als 'een opgewekt beeld van een bevrijd leven'. Er heerste echter een sterk regime van ordening dat tegenwoordig ongetwijfeld als betuttelend zou worden gekenschetst. 'Licht, lucht en ruimte' betekenden voor landschapsarchitect Bram Galjaard dat de gebouwen losjes in een open groene ruimte moesten staan zonder woonfuncties op de begane grond. Hij wees privé-tuinen, schuren en hokken op de binnenterreinen af als rommelig en storend voor de bovenbewoners. Galjaards opdrachtgever, de stedenbouwkundige dienst, stond er echter op dat de woningen op de begane grond tuinen kregen. Ze werden drieënhalve meter lang. Door een bescheiden invulling bleef de openheid intact.

Ook Rietveld streefde naar ordening en openheid. Hij ontwierp de 388 woningen als doorkijkwoningen, vitrage vond hij niet nodig. Mochten er verschillende gordijnen worden opgehangen dan zouden de ondoorzichtige bovenlichten en borstweringen het onordelijk effect ervan verkleinen. De was kon buiten het zicht worden opgehangen. Een centraal antennesysteem moest 'poliepvorming' op de daken voorkomen. Binnen een strak stramien gaven verschillende kleuren metselwerk de afzonderlijke eenheden een eigen identiteit. De betonvloeren eindigen met een geribbelde rand in de gevel zodat zelfs de strepen van het regenwater werden geordend.

Marinke Steenhuis citeerde uit het onderzoek: 'Gedifferentieerde woonmilieus, identiteit, herkenbaarheid, dit buurtje heeft het allemaal', de buurt heeft eigenschappen die heden ten dage 'hot' zijn. Daar zou je de nadruk op gemeenschappelijkheid, tegenwoordig verantwoordelijkheid genoemd, nog aan toe kunnen voegen. Het onderzoek concludeert: 'Wellicht zou er op termijn een geschikte doelgroep gevonden kunnen worden met een lifestyle die past bij de essentiële kwaliteiten van de wijk.'

De eerste bewoners slikten het regime, ze waren allang blij dat ze een woning hadden en een tuincultuur was er nog niet. Er was geen inspraak, hooguit werden ervaringen geïnventariseerd. Het strakke regime hield het echter niet. Op initiatief van de coöperatie is de bewoners eind jaren zestig de drieënhalve meter struweelstrook langs hun tuin aangeboden. De nu zeven meter diepe tuinen werden verzelfstandigd. De bewoners hebben deze annexatie aangegrepen om hun tuin te voorzien van schuttingen en beplantingen. De binnenterreinen verloren hun intimiteit en gemeenschappelijkheid. De anonimiteit werd versterkt doordat de opgerukte tuinen ook het zicht tussen de verschillende binnenterreinen wegnam. Verder wees Van Dooren op de 'onstabiele mix van bewoners die er al 40 jaar wonen en mensen die nieuw gekomen zijn en geen enkele binding hebben met de manier waarop er wordt gewoond'.

Het onderzoek wijst het steeds verder oprukken van de tuinen af vanwege het verloren contact tussen binnen en buiten. 'De waarde van de stempels zijn juist de half openbare binnenterreinen', aldus Van Dooren. Voor de omheining zou naar zijn mening een ontwerpende oplossing moeten worden gevonden. Ideeën hiervoor werden echter rigoureus verworpen. Inmiddels zijn 'voor de veiligheid' op initiatief van de bewoners hoge hekken van bijna 2 meter om de privé-tuinen geplaatst. Het doorzichtige staalmat-hekwerk wordt door bewoners die nog geen schutting hadden gezien als handige achtergrond om alsnog een visuele barrière aan te brengen. De coöperatie laat de schuttingen ongemoeid. De ontwerpers resteert nog het ontwerp van de binnenterreinen, ze mogen opdraven om ze 'sociaal veilig' vorm te geven.

De buurt, de coöperatie en alle betrokkenen bij soortgelijke wederopbouwwijken zouden er goed aan doen om notie te nemen van het onderzoek. Woningbouwcoöperatie BO-EX'91 redeneert als volgt: als mensen zich veiliger voelen bekommeren ze zich meer om de binnenterreinen. Maar juist die causaliteit wordt door het onderzoek gelogenstraft. Het terugtrekken op het eigen domein heeft de binnenterreinen juist van hun gemeenschappelijkheid beroofd. De binnenterreinen waren van iedereen en zijn nu van niemand. Een oproep tot gemeenschappelijkheid, 'eenheid in verscheidenheid', zal wel een brug te ver zijn. De Rietveldbuurt staat, evenals veel wederopbouwwijken, midden in de maatschappelijke discussie over tweedeling en segregatie. De slogan van Heras Hekwerk, 'Heras, Dé vormgever van veiligheid' is een mooie illustratie van het gegeven dat techniek niet neutraal is.