Feature —

Meanderen met Arets

Bert de Muynck

De lezingreeks ‘Please Leave a Message’ in de Academie van Bouwkunst te Amsterdam verleidt sprekers tot het debiteren van sterke persoonlijke statements over hun werk in relatie tot het jarenlang genegeerde thema van de ideologie. Op donderdag 8 april was Wiel Arets aan de beurt.

Wiel Arets werd aangekondigd als een architect wiens architectuur gekenmerkt wordt door een verlangen naar onzichtbaarheid. Waar hij dit in het verleden bereikte door een ingetogen Ando-eske combinatie van een beperkt technologisch en geometrisch repertorium (esoterisch vastgelegd door fotograaf Kim Zwarts) en aan Louis Kahn’s idee van ‘silence’ schatplichtige concepten, lijken sensibiliteit, ingetogen dramatiek en ruwe energie de thema’s waaromheen de nieuwe projecten gestalte krijgen. Arets begon zijn lezing met een lofrede op het werk van de kunstenaar Jan Schoonhoven (1914-1994) van de ZERO-groep. In diens werk stond het immateriële, de afwezigheid van persoonlijke gevoelens, de abstracte puurheid en het ‘totaal witte vlak’ centraal. Dit laatste is ook een leidmotief in het werk van Arets: ‘Architecture is a desire for purity, a striving for perfection. Its principal colour is white.’ Aan de hand van referenties (Valéry, Eisenstein, Godard en Deleuze) kwam Arets als snel tot het perspectief van waaruit hij werkt en leeft: het streven om persoon en ruimte samen te smeden tot één geheel van onlosmakelijke verbondenheid.

Deze eerste drie gepresenteerde stedelijke projecten, Green Square in Sydney, Waterland in Shanghai en Montjuich in Barcelona, hebben ruwweg hetzelfde schaalniveau en verbinden een pragmatische vormelijke instelling – Arets sneerde in Sydney naar Liebeskind door de vorm te verklaren als gevolg van grondbezit en zeker niet als de resultante van ‘krachten van buitenaf’ – met een flexibel en zichzelf ontwikkelend ontwerp. Zo voorziet het Waterlandproject reeds in het China van het privé-eigendom, het is een Holland-in-reverse ontwerp waarbij water gewonnen wordt op het land en dat bestaat uit een stringente eilandachtige grondstructuur waarbij de bewoners kunnen kiezen uit diverse typologieën. Het ontwerp voor tentoonstellingshallen in Montjuich wordt vormgegeven rond een ‘programmatic device’, een 1,8 kilometer lange en 32 meter brede strip met luchthavenallures, die toegang verschaft tot de verschillende zalen en op twee niveaus een publieke plaza creëert. Op het stedelijk niveau manifesteert deze ingreep zich heel vormelijk: de noodzakelijk horizontale opstelling wordt afgesloten door twee torens. Uit dit laatste ontwerp spreekt de kracht van Arets’ werk: het vermogen om een exterieur krachtig stedelijk referentiepunt met een weke en dwingende interne organisatie te combineren.

Een invulling van dit laatste idee was ook te vinden in de ARENA-toren te Amsterdam. Hier wordt de vorm versterkt door een plug in gedachte. Nadat de toekomstige bewoners een individuele keuze uit negen typologieën hebben gemaakt worden deze boven op een semi-publieke plint volumetrisch in elkaar gepuzzeld. Een vrijheid blijheid die leidt tot een georchestreerde mythe van keuzemogelijkheden die door een pragmatisch commerciële visie is ingegeven. Als vrijheid niet te koop is, dan mag niet worden ontkend dat haar suggestieve marktwaarde heel hoog is. Architecten kunnen hiermee heel handig hun klanten verblinden.

Vervolgens kwamen de ingetogen juweeltjes van het Hegde House (een combinatie van kippenhok, berging en tentoonstellingsruimte) en de bibliotheek op de Uithof in Utrecht aan bod. Dit laatste ontwerp sluit duidelijk aan bij het vroegere Arets-werk dat organisatorisch degelijk is, maar vooral ruimtelijk het moment van de spanning tussen interieur en exterieur op de textuur en transparantie van de huid weet te leggen.

Haast emotioneel werd Arets toen de renovatie (samen met Jo Coenen) van het Glaspaleis (Fritz P.J. Peutz) in Heerlen aan bod kwam. Dit rijksmonument (vermoedelijk de eerste confrontatie van de jonge Arets met ‘architectuur’) werd tot in detail in ere hersteld en voorzien van een nieuw programma, het functioneert nu als cultureel centrum. Afsluiten deed hij met twee ontwerpen voor villa’s, het Jelly Fish House in Marbella en Villa Kwakkel te Apeldoorn, waarin telkens keuzevrijheden en -mogelijkheden centraal stonden. Alternatieve routes door het huis, lichtinval, compromissen (de keuze tussen auto en tuin die leidt tot een tafel op rails), het lichtspel van dag en nacht en de onvermijdelijke Aretsiaanse semi-ondergrondse toegang zijn hierbinnen de belangrijkste ontwerpparameters.

Wiel Arets verklaarde vanuit zijn ideologie (mens en kunst worden één) zijn ambitie en zijn ontwerpfilosofie ‘not how to get the product, but what the product can do’. Net daarin ligt de moeilijkheid van het presenteren van zijn werk – ze richt zich radicaal op de ervaring van de architectuur. De filmisch aan Godard schatplichtige techniek (zie o.a. zijn film bande à part uit 1964) van onderbroken beelden, vreemde verhaalwendingen, conflicten tussen het reële en het irreële en schijnbaar onbelangrijke details die later van cruciaal belang blijken te zijn, vertaalt Arets in gebouwen waarbinnen elk deel opgevat kan worden als een begin-, eind- of rustpunt van de impliciete ontwikkeling van het gebouw: de chronologie, het rechtlijnige, wordt een halt toegeroepen, zelfs in een lijnontwerp als de Montjuich. Het mantrisch herhalen van de mogelijkheid van meanderen in elk van zijn projecten bevestigt enkel zijn ambitie om doormiddel van architectuur de mens tot een actief momentum te bewegen. Dit is niet het uitbundig modernistische meanderen van het plan libre of de promenade architecturale, maar wordt eerder gestuurd door de onzichtbare en respectvolle hand van de meesterarchitect.