Feature —

De Winkelhaak als strijdwapen

Marieke Berkers

Neem een strak vormgegeven Designcenter en plaatst dat midden in een achterstandswijk. De verwachting is dat het gebouw als magneet gaat werken, het moet jonge ontwerpers, designshops en daarmee een nieuw bezoekerspubliek naar de buurt trekken. Hier is sprake van moderne architectuur als wapen in de strijd tegen verloedering van een buurt. Hoe pakt dat uit?

Antwerpen 1995. Het Stadsbestuur van Antwerpen besluit tot het opschonen van de stationsbuurt. In het stedelijk ontwerp wordt Designcenter de Winkelhaak gepland, een hypermodern bedrijvencenter dat achttien ateliers voor startende ontwerpers, een tentoonstellingsruimte en centrale ruimtes als lounge en bibliotheek herbergt. Ruim anderhalf jaar na opening zijn bijna alle ateliers bezet door bureaus voor stedenbouw, productdesign, grafisch ontwerp, animatie, multimedia en architectuur. Voor weinig geld kunnen startende ondernemers een atelier huren en krijgen ze een gratis servicepakket aangeboden met daarin onder meer administratieve ondersteuning en mogelijkheden tot gebruik van vergaderruimtes, kopieerapparaten, bibliotheek en maquettetafels. Zodoende hoeven er geen grote investeringen te worden gedaan; de ontwerper zelf hoeft bij wijze van spreke enkel voor een stoel, een tafel en een computer te zorgen. De Stad Antwerpen hoopt erop dat huurders van de ateliers op termijn in de buurt van hun werkplek komen wonen en dat oprichting van ondersteunende bedrijven als copyshops, koeriersdiensten en take-aways wordt gestimuleerd. Hoe sterk is de magnetische kracht van het Designcenter?

'Het is nog te vroeg om de wisselwerking met de wijk en De Winkelhaak volledig in kaart te brengen,' zegt Kristel Dewulf medewerker van het Designcenter. Tot nu toe zijn enkel een drietal designwinkels in de buurt opgericht. Van aanwas van buiten het bedrijvenpand opererende ontwerpers is jammer genoeg nog geen sprake en ook de komst van service ondernemingen laat op zich wachten. Met de bedrijfjes zelf loopt het volgens Dewulf overigens erg goed. Een van de twee architecten van het gebouw, Coby Manders, betrok zelf een atelier. Ze zegt zeer tevreden te zijn over werking van zowel gebouw als bedrijfsformule.

1 werkruimtes
2 ruimte voor algemeen gebruik

a'De wijk is nog volop in ontwikkeling,' legt Dewulf uit. Inderdaad, hoewel de buurt al flink opgeschoond is, zijn sporen van verloedering nog steeds zichtbaar. Vanuit de hogere verdiepingen van het Designcenter kijk je bijvoorbeeld uit op een plat dak waar een verzameling karkassen van kinderwagens is gedumpt. En hoewel alle rode lichtjes gedoofd zijn vindt straatprostitutie nog volop plaats. Tegelijkertijd wordt er op verschillende plaatsen flink aan opbouw gewerkt. Vlakbij, op het De Conickplein, wordt de oude Permeke garage omgebouwd tot Openbare Bibliotheek. Het in de buurt gelegen en gerenoveerde Ecohuis, een plek voor informatie over ecologisch bouwen en ecologische producten, trekt volop publiek. Er zijn woningbouwprojecten en ook het Designcenter zelf gaat uitbreiden. Er loopt een competitie voor het ontwerp van 1200 m2 aan extra ruimte, hierin zijn onder meer een café en winkel gepland. Huiseigenaren zien de wijk opkrabbelen en ruiken geld want binnenkort zal de Hogesnelheidstrein op Antwerpen Centraal gaan stoppen wat de strategisch ligging van de wijk verhoogt (Parijs ligt dan namelijk op slechts anderhalf uur reisafstand!). De eigenaren van de panden zijn hierom bereid wat beter voor hun panden te zorgen.

De keuze voor een modern ogend gebouw in plaats van een gebouw dat in vormgeving wat meer terughoudend is en derhalve de wijk wat gematigder tegemoet zou hebben getreden lijkt een juiste te zijn geweest. De Stad trok indertijd bewust twee jonge architecten, Coby Manders en Filip Pittillion, aan voor de architectuur. Het resultaat is een opvallende gebouw dat zorgde voor veel publiciteit en de buurt deint mee op de golven van het succes. Buurtbewoners zijn er trots op dat er in hun wijk zo een strak uitziend pand gebouwd werd. Ze krijgen het gevoel dat de Antwerpse Stad in hun wijk wil investeren en zijn als tegenprestatie bereid mee te werken het verval tegen te gaan. Op kleine schaal kuisen ze mee. Opsinjoren noemen ze dat in Antwerpen.

Kortom, vooralsnog fungeert het Designcenter vooral als psychologisch wapen in de strijd tegen de verloedering van de Antwerpse stationsbuurt. Maar het lijkt slechts een kwestie van tijd voordat de wijk ontdekt gaat worden door trendy mensen uit de middenklasse. Het is overigens te hopen dat het stadsbestuur uiteindelijk niet zover gaat met opsinjoren dat alle huidige bewoners met een kleine beurs mee opgeschoond worden.