Opinie —

Hoogbouw op ooghoogte

Piet Vollaard

Hoogbouw kan rekenen op een grote groep fanatieke fans. Alles wat hoog is, is voor deze groep vanzelf mooi. Wie hoogbouw echter vanaf ooghoogte bekijkt, weet dat de plint van hoogbouw dodelijk saai is en tot nu toe weinig of niets bijdraagt aan het leven op straat.

Hoogbouwmekka het Weena Rotterdam op ooghoogte op een zonnige maandagmiddag om half vijf.
1-4 de vier hoeken van het Stationsplein, achtereenvolgens Groothandelsgebouw(laagbouw), Bouwcentrumtoren, ING (nr 1 HB top 20) en Millenniumtoren (nr 5 HB top 20).
Iets verderop:
5. Weena Center. Ja echt, een woontoren (naast Unilever)
6. Weenatoren (combi wonen en kantoren)
7. Hoe het anders kan: om de hoek van het Weena, de Kruiskade

De Stichting Hoogbouw, ooit opgericht om hoogbouw uit het verdomhoekje te halen, bestaat twintig jaar. Waarvoor mijn welgemeende felicitaties. Maar het is de vraag of de stichting, nu hoogbouw tot de ambitie van de doorsnee plattelandswethouder lijkt te behoren, nog bestaansrecht heeft. De oorspronkelijke doelstelling is immers al jaren bereikt. De stichting zelf vindt het naar eigen zeggen 'veel te leuk om te stoppen' en heeft de aandacht verlegd naar 'de toekomstige verstedelijkingsopgave, waarbij hoogbouw, als vorm van intensief ruimtegebruik, centraal staat.' Intensief ruimtegebruik, een buzz-word waar je weer een paar jaar mee verder kunt, maar niet wezenlijk anders dan het argument van 20 jaar terug.

Hoog is in de ogen van hoogbouwliefhebbers nog steeds vanzelfsprekend mooi, en hoe hoger hoe mooier. Hoe kan het anders dat twee van de lelijkste (maar wel lekker hoge) gebouwen van de laatste jaren, de Amsterdamse Rembrandt Tower (tweede plaats) en de Rotterdamse Millenniumtoren (vijfde), zo prominent in de top twintig van mooiste hoogbouw van de stichting figureren? Gelukkig is de nummer één, de Delftse Poort (het ING kantoor) in Rotterdam, niet alleen het hoogste gebouw van Nederland, maar toevallig ook niet onaardig ontworpen, anders was het lijstje helemaal droevig geweest. Dat gebrek aan architectonische kwaliteit van hoogbouw is natuurlijk niet zo raar, ook het grootste deel van de lagere bebouwing is middelmatig. Maar lagere gebouwen manifesteren zich niet zo uitdrukkelijk in de stad. Hoogbouw claimt veel en zou dus ook meer moeten geven.

Niet alleen claimen hoge gebouwen een buitenproportioneel deel van het uitzicht op en over de stad, ze gedragen zich ook nog eens uiterst egocentrisch ten aanzien van de straat waarin ze staan. Vanuit het openbare gebied gezien telt hoogte niet, daar gaat het om de kwaliteit van een gebouw op ooghoogte. Vrijwel zonder uitzondering zijn de plinten van hoge torens en de straten waarlangs ze staan opgesteld dodelijk saai. Verlaten ingangen, in- en uitritten van parkeergarages, deuren van vluchttrappenhuizen, brandweeringangen, postkamers, elektriciteitsvoorzieningen, bergingen, norse bewakers, dat is het zo'n beetje wat de wandelaar op straat ziet van hoogbouw. In Manhattan, het stadsdeel van de (grotendeels laagbouw)stad New York waar Nederlandse wethouders met hoogbouwhobby's zich zo graag aan spiegelen, zijn de eerste lagen van de meeste hoge gebouwen openbaar. Dat deze openbaarheid meestal is afgedwongen door regelgeving, geeft al aan dat men in dit hoogbouwmekka beter op de hoogte is van het belangrijkste hoogbouwprobleem dan hier. Want hoe anders het hier geregeld is blijkt bijvoorbeeld uit de begane grond van nummer vijf in de hoogbouw top 20. In de Millenniumtoren tegenover Rotterdam CS is het dure Westin Hotel gevestigd. Een uitgelezen kans om een fraaie entreepartij met een straatlounge en eventueel een openbare skylobby aan de stad te geven in ruil voor de prominente positie die het ding inneemt. Hoe dat moet had de directie iets verderop in de straat kunnen afkijken van het veel lagere Hilton Hotel van architect Maaskant. Maar niets van dat alles, een lege hal en niet eens een leuke portier in uniform voor de entree. Als het niet in zulke koeienletters boven de deur stond, zou je denken dat het een suf verhuurkantoor was (wat het overigens gedeeltelijk ook is). Ook multinational ING aan de overkant van de straat voelt zich te groot om zich iets van de straat aan te trekken. En denk nu niet dat het met de rest beter is gesteld, alle hoogbouw is belabberd op ooghoogte. En dat geldt misschien nog in sterkere mate voor woontorens.

Mensen in woontorens wonen niet aan de straat en hebben daar dus ook geen voeling mee. Ze gaan vanuit hun penthouse met de lift naar parkeergarage en stappen in hun auto op weg naar werk of weilandwinkel aan de stadsrand. Hoogbouwbewoners wonen in de wolken en niet in de stad. De beloofde levendigheid die hoogbouw aan de stad zou geven is tot nu toe een fictie gebleken. Hoogbouw levert alleen maar drukte en dus excessieve druk op de infrastructuur tijdens de spitsuren – als de kantoren vol- en leeglopen en de hoogbouwbewoners zich met hun auto's richting file begeven.

Als de Stichting Hoogbouw het niet bij 'gewoon leuk' wil laten, dan zou ze zich de komende tien jaar volledig moeten richten op het opvoeden van ontwikkelaars, gemeenten en architecten in de noodzaak van een openbare plint en het feit dat deze drie partijen hier gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor dragen. Wie groot wil zijn, moet zich groots gedragen. Wie ruimte claimt, zou tenminste iets terug moeten geven aan de stad. Niet de hoogte, maar de betekenis van het gebouw voor het publieke domein en het leven in de stad en op straat zou de norm moeten zijn bij de samenstelling van de volgende top Hoogbouw 20.