Feature —

O-EU-I: CIAM openluchtmuseum

Vincent van Rossem

Het meest vreemde van Oost Europa is misschien wel dat er niets vreemd aan is, concludeert Vincent van Rossem, één van de deelnemers aan de studiereis Midden en Oost Europa.

Hoe hadden we ons de ruïne van de Sowjet Unie eigenlijk voorgesteld? In het politieke debat dat gevoerd werd over de toetreding van een aantal Oost Europese landen tot de Europese Unie bleek dat men vooral bang was voor een vloedgolf van goedkope arbeidskrachten die het gekoesterde evenwicht op onze arbeidsmarkt zou gaan verstoren. De Polen als sprinkhanenplaag. Kortom, Oost Europa is achterlijk, arm, en dus bedreigend.

Dit beeld blijkt in geen enkel opzicht met de werkelijkheid overeen te komen. Petersburg is een normale Europese stad, in veel opzichten beschaafder dan Amsterdam. Dessau is een slaperig provinciestadje. Wroclaw, ooit Breslau, is geen vrolijke stad maar zeker ook geen rampgebied. Tsjechië zal binnen tien jaar een economisch wonder zijn. Dus geen Tsjechen om onze asperges te steken. Budapest, maar dat wisten velen al, is Parijs aan de Donau, en op een betoverende manier minder uitgewoond en minder afgetrapt dan Parijs. In Bukarest is natuurlijk het een en ander gebeurd, maar het is toch een stad vol leven, en er wonen hele beschaafde dames met een boekenkast vol Europese cultuur. Kiev telt drie miljoen inwoners, maar het doet denken aan Arnhem. Alleen in Charkiv stond Lenin nog op zijn sokkel, en hopelijk blijft hij daar staan. Ooit zal er natuurlijk een herwaardering komen voor de Sowjet Unie en het communistische experiment. Er is daar veel mis gegaan, maar het was niet 'the evil empire', zoals Ronald Reagan dacht.

Het is opmerkelijk dat de Nederlanders niet meer weten wat Oost Europa eigenlijk is, want juist onze eigen revolutionaire zeventiende-eeuwse Republiek is destijds rijk geworden met de handel van Oost naar West Europa en andersom, waarbij Amsterdam de stapelmarkt was. Door de handelsgeest van de Nederlandse Republiek is het economische zwaartepunt in Europa verschoven van de Mediterrane wereld naar de Noordzee en de Baltische Golf. Het Europa rond Venetië, dat Braudel zo meeslepend beschreven heeft, was een veel ouder Europa, meer verbonden met het Midden Oosten. Amsterdam werd de spil van een geografisch en economisch geheel dat nu, na de deconfiture van de Sowjet Unie, weer op de kaart is verschenen. Zo lijkt het alsof de Europese geschiedenis na twee dramatische wereldoorlogen en het comateuze Sowjettijdperk zowaar weer tot leven komt.

Slechts weinigen nemen in Oost Europese steden de moeite om een bezoek te brengen aan de buitenwijken die na de Tweede Wereldoorlog gebouwd zijn. Alleen excentrieke liefhebbers van de moderne stedenbouw hebben daar belangstelling voor. Toeristen komen ook niet naar Amsterdam om Plein 40-45 in Slotermeer te bekijken. Onze gidsen, veelal architecten of architectuurhistorici, vonden het vreemd en duidelijk wat pervers, die belangstelling voor de Plattenbau. Net als in Nederland wordt de naoorlogse massawoningbouw in Oost Europa beschouwd als een architectonisch dieptepunt. Niet iets wat je aan buitenlanders laat zien. Men is trots op Haus Tugendhat, maar niet op de goedkope sociale woningbouw waarin miljoenen een redelijk tevreden leven leiden. De esthetische fijnproevers zullen wel gelijk hebben, maar ze hebben nooit begrepen wat de essentie was van het architectonisch ontwerpen in de twintigste eeuw. De volkswoning vormde de enige werkelijk problematische opgave, miljoenen betaalbare woningen met een acceptabele plattegrond, riolering, stromend water, en verwarming, in een behoorlijke stedenbouwkundige omgeving. De volkshuisvesting, anders en beter dan in de negentiende-eeuwse industriesteden, dat was de opgave.

Iedereen met enige belangstelling voor de ware monumenten van de twintigste eeuw, de moderne woonwijken die zowel in West als in Oost Europa gebouwd zijn voor de arbeidende klasse, zal in Oost Europa verrast worden. Want daar is de radicale visie van de avant-garde op stedenbouw en volkshuisvesting veel consequenter uitgevoerd dan in Nederland. In ons land is laagbouw eigenlijk altijd toonaangevend gebleven, en de stedenbouw heeft zich nooit bevrijd uit de greep van het Nederlandse rijtjeshuis. Toen het tenslotte een beetje ging lijken op een moderne stad, in de Amsterdamse Bijlmermeer, begon er direct een lastercampagne die tenslotte heeft geleid tot een negatief imago en een goed excuus om de boel weer af te breken. In Oost Europa heeft men de naoorlogse woningbouw overal systematisch uitgevoerd in hoogbouw. Uiteraard met een bijpassende verkaveling. In veel steden woont tachtig procent of meer van de bevolking in die nieuwe wijken. Bratislawa bijvoorbeeld, voorheen Herzburg, heeft een schattig oud centrum met allemaal opgepoetste monumentjes, maar de echte stad is een ring van moderne woonwijken rond het oude Herzburg. Een ander mooi voorbeeld is de wijk Titan, 220.000 inwoners, in Boekarest. Hier kan men met eigen ogen aanschouwen dat ook het sociale leven in dergelijke wijken soms floreert zoals op de liefste oude stadspleintjes. Het was er die middag echt druk, met een ongekend aanbod aan eenvoudige voorzieningen, en ook de 80 ha stadspark in het hart van de wijk werden volop gebruikt. 'Die neue Zeit', heeft Mies nog eens opgemerkt, 'ist eine Tatsache'. De kans is vooralsnog klein dat de 72.000 woningen in de wijk Titan weer afgebroken worden, vrijwel alle woningen zijn inmiddels verkocht aan de bewoners. Hier is de moderne stedenbouw een historisch feit geworden, het visioen van de avant-garde is gerealiseerd.

Gedurende de reis werd vaak de vraag gesteld wat Oost en West van elkaar kunnen leren. Die vraag is moeilijk te beantwoorden. Vergeleken bij de verstikkende kleinburgerlijkheid van de Nederlandse Vinexwijken is Titan een bevrijdende ervaring, een dosis stedelijkheid die tot een ware roes leidt. Maar de tijd van de socialistische stedenbouw is natuurlijk ook voorbij. Men zal in Oost Europa juist erg jaloers zijn op al die individuele huisjes van ons, met die lullige tuintjes. Van dat wederzijdse leren gaat dus niets terecht komen. Maar in elk geval is het een troost om te weten dat het erfgoed van de CIAM in Oost Europa meer is dan vergeeld papier in een architectuur instituut. Daar kunnen belangstellenden voorlopig nog talloze voorbeelden bewonderen van woonwijken die in 1930 een droom waren voor de pioniers van het Modernisme.