Recensie —

De fantasie van het individu

Allard Jolles

De Nederlands fotograaf Bas Princen is opgeleid als ontwerper, niet als fotograaf. Misschien heeft hij daarom een andere kijk op het landschap om ons heen, en dat van Holland in het bijzonder. Zijn ruim 40 foto’s dikke debuutroman, Artificial Arcadia, gaat over dat landschap en het gebruik ervan.

Princen verkent en becommentarieert het Nederlandse transformatielandschap door zijn grootbeeldcamera neer te zetten op het moment dat de bedoelde gebruiker nog moet komen, of nog niet is uitgezocht. En dan is er echt iets te zien: ander gebruik dan gepland blijkt gelukkig in het volkomen voorgeprogrammeerde Nederland nog altijd mogelijk. De foto’s zijn aangevuld met vijf essays, steeds ingeleid door een vraag of overpeinzing van Princen. En ondanks dat die formule uitstekend werkt en alle auteurs, uitgedaagd door de stellingname van Princen, dit keer echt iets te melden hebben, zijn het de foto’s van Princen die dit boek tot verplichte kost maken. Zijn beelden spreken een taal die woorden overbodig maakt.

Spelen

In het eerste jaar kunstgeschiedenis leer je ongeveer het volgende: kunst is het omzetten van een bepaalde emotie of mededeling in een taal, zodat de beschouwer precies die emotie of mededeling bij zich voelt opgeroepen, liefst ook nog met dezelfde intensiteit als de maker voor ogen had. Bas Princen heeft als taal fotografie gekozen, en daar mogen wij erg blij mee zijn. Iedere plaat is raak. We zien grote landschappen zoals Ruysdael die vroeger schilderde met een zeldzaam evocatieve kracht; de grote schaal in Nederland is toch de lucht, het water en het polderlandschap. Daarin zien we de mens, klein en nietig als een mier, maar wél bezig met een of andere activiteit. Soms, door mist of gewoon door de afstand, is de mens zelfs bijna weg, bezig aan de laatste flarden zingeving aan zijn bestaan, kort voor de ultieme fade-out. Maar dit boek wil ons niet waarschuwen voor onze sterfelijkheid, integendeel, Princen geeft ons hoop. Hij laat zien dat de open ruimte zich, hoewel meestal onbedoeld, uitstekend leent voor menselijke activiteit. Fietsen op een vuilnisbelt, ‘abseilen’ aan de Euromast (de mast zelf blijft buiten het kader – een klassiek vervreemdingseffect), een wedstrijdje hengelwerpen op land: alles kan, en steeds blijkt het de fantasie van de ‘homo ludens’ die deze verrassende draai aan het gebruik van het land mogelijk heeft gemaakt.

Sand Dump – Een illegale zandstortplaats is door een kleiduivenschietvereniging afgehuurd voor het spelen van ‘paintball’

Pret

In een wereld waar de pretindustrie overal en onverwacht toeslaat of al heeft toegeslagen, mag het een wonder heten dat mensen nog altijd in staat zijn het niet geprogrammeerde avontuur te vinden. Het gaat zelfs verder: de mens blijkt in staat zijn eigen habitat keer op keer uit te vinden. Alleen de mens kan, door voor een ander gebruik te kiezen, een onnatuurlijke omgeving tot natuur of wildernis promoveren. De stralende foto van de groene buffer langs een golfbaan, waar twee backpackers oefenen voor hun reis naar Schotland, vertelt ons dat. Het is exact het tegenovergestelde van een dagje Six Flags, ook wat betreft legaliteit. Het is natuurlijk het mooiste als je een stuk Nederland vindt waar je iets kan doen wat daar eigenlijk niet mag, pas dan is het avontuur compleet. Zo bezien zijn de mensen op de platen van Princen moderne helden. Waar gekanaliseerde pret zich vooral parasitair ten opzichte van het bestaande gedraagt (de Eiffeltoren wordt misbruikt om Disneyland Parijs te promoten, gratis!), zijn de spelende mensen bij Princen toch veeleer de onmisbare luizen in de pels van de (‘pseudo-fascistische’, volgens essayist Lars Lerup) ruimtelijk ordening.

Ongemakkelijk

Tegelijkertijd hebben de foto’s van Princen ook iets tragisch, en die tweede laag geeft de beschouwer al na een paar seconden kijken een ongemakkelijk gevoel. We zien mensen met fantasie, dat is waar. Maar door de ruimte vervolgens voor een heel specifiek doel te gebruiken, wordt deze tegelijkertijd minder openbaar. Essayist Wim Cuyvers gaat nog een stap verder in zijn verhaal ‘Leisure kills (public space)’, door op de laatste (hoe kon het ook anders) tekstbladzijde van het boek te schrijven dat de foto’s niet gaan over alternatief gebruik van het landschap, maar getuigen van het einde van de openbare ruimte. Het één is een logisch gevolg van het ander. Zo bezien zijn we hier getuige van een nieuwe variant van landjepik. Maar ook deze constatering is ons al vóór in het boek met het tweeluik Sand Dump meegedeeld, een oorlogje-spelende kleiduivenvereniging laat immers weinig te raden over. Wie zo kan spreken met zijn camera heeft echt geen woorden nodig. Bas Princen is ons niet alleen keer op keer voor, hij laat ons ook nog eens sprakeloos achter, onmachtig verder te spelen.