Recensie —

Camp for Oppositional Architecture, Berlijn

Knut Birkholz

Er is tegenwoordig een duidelijk gebrek aan bewustzijn, zowel binnen als buiten het vakgebied, over het belang van een kritische geëngageerde architectuur en architectuurkritiek. Een kritische benadering en een heldere theorie kom je niet vaak tegen. Sterker nog, zij hebben weinig kans binnen de academische wereld en al helemaal niet binnen het dagelijks leven op een architectenbureau.

Gezien de brede sociaal-economische context van het laatkapitalisme en de veel besproken problemen van globalisatie, ligt het voor de hand de vraag te stellen welke rol architectuur daarin speelt of zou moeten spelen. De geëngageerde architectuur moet weerstand weten te bieden aan onkritische architecten. Het is veelzeggend om in dit verband de huidige betrokkenheid van westerse architecten bij projecten in China af te zetten tegen het recente rapport van de Human Rights Watch voor de VN over de erbarmelijke mensenrechtensituatie in dat land. Neem bijvoorbeeld Rem Koolhaas, winnaar van de prijsvraag voor het hoofdkwartier voor CCTV, de Chinese staatstelevisie. Deze 'lus', zoals de architect zijn ontwerpvoorstel graag noemt, getuigt van een absoluut gebrek aan kritisch vermogen of oppositie tegen de heersende politieke structuur in China. Hiermee bouwt Koolhaas een monument voor het huidige systeem dat verantwoordelijk is voor alles wat de Human Rights Watch aanhaalt. Is het daarom niet vreemd dat Koolhaas onderwerp is van zoveel exposities, publicaties en toekenningen die hem prijzen als een van de grootste architecten van deze tijd? Moeten wij zulke vragen niet stellen, gezien de grote invloed die Koolhaas, hoogleraar aan de universiteit van Harvard, heeft op studenten en jonge architecten over de hele wereld?

Reflecteren op deze zaken is essentieel voor mijn werk als schrijver over architectuur. Daarom vond ik het belangrijk dat het Duitse architectuurtijdschrift An Architektur – een non-profit, gesubsidieerd orgaan – onlangs het eerste zogeheten 'Camp for Oppositional Architecture' initieerde en organiseerde. Het evenement vond plaats op 25, 26 en 27 juni in Berlijn en had inderdaad veel weg van een kamp: nogal geïmproviseerd, met een indoorcamping als slaapaccommodatie, ontworpen en ingericht door studenten en duidelijk ingeperkt door een zeer klein budget, waarschijnlijk niet veel meer dan het maandloon van een hoogleraar. Maar zoals bekend: schaarse middelen kunnen de creativiteit juist uitdagen. Dit gebeurde dan ook toen de initiatiefnemers en deelnemers aan het congres tijdelijk een voormalig fabrieksgebouw in Berlijn Wedding betrokken. Het kamp was zelf in feite een antwoord op de belangrijkste vragen die An Architektur van tevoren had gesteld. Hoe kun je kritiek leveren op de invloed van een kapitalistische ruimteproductie? Hoe kun je een rol spelen binnen dit machtige systeem zonder het bestaansrecht van dat systeem te onderschrijven? Daarmee werd het kamp zelf een vorm van geëngageerde architectuur.

De circa zestig internationale deelnemers van binnen en buiten de architectuur waren uitgenodigd om te praten over kritische, alternatieve of oppositionele manieren van denken over architectuur. Individuen of groepen konden zich opgeven voor het congres aan de hand van een schriftelijke uiteenzetting van hun visie op het thema. Ongeveer dertig andere deelnemers waren aanwezig als toeschouwer. Vier sprekers waren uitgenodigd om hun ideeën over het congresthema uiteen te zetten: Roemer van Toorn (Berlage Institute, Rotterdam), Bryan Bell (Architect, Raleigh/VS), Dr. Phil. Simone Hain (kunsthistoricus, Berlijn), en Professor Peter Marcuse (Columbia University, New York).

De initiatiefnemers hadden van tevoren drie discussiegroepen gevormd die zouden ingaan op sociaal-maatschappelijk engagement, vormgevingsconcepten en interventiestrategieën. Vervolgens moesten de deelnemers hun eigen weg maar zien te vinden – naar mijn mening was deze opzet niet echt geslaagd. De moderatoren van An Architektur gaven nauwelijks leiding en richting aan de discussie. De mate van vrijheid was simpelweg te groot. Dit werkte voor een deel averechts en was ook nog eens uiterst tijdrovend.

De discussiegroepen hadden veel moeite om een consensus te bereiken over de te volgen procedure. De diversiteit aan invalshoeken over het onderwerp maakte verdere opsplitsing absoluut noodzakelijk. Nogal verassend vond ik dat de meeste aandacht uitging naar de sociaal-maatschappelijke aspecten van kritische architectuur, terwijl andere zaken onderbelicht en ondergewaardeerd bleven. De Amerikaanse architect Bryan Bell, kreeg bijvoorbeeld een ovatie voor zijn toelichting op verschillende goedkope woningbouwprojecten voor gastarbeiders in de VS, maar de gevolgen van zijn ontwerpstrategie kwamen niet aan de orde in de diverse discussies die volgden. Daarin ging de meeste aandacht uit naar meer algemene en zelfs abstracte kwesties, zoals: Wat is oppositie? Wie of wat is de vijand waartegen de architectuur zich dient te verzetten? Onderwerpen als netwerken en communicatie strategieën, hoewel besproken in sommige groepen, kwamen slechts terloops ter sprake.

De vraag wat deze bijeenkomst voor specifieke resultaten heeft opgeleverd is dan ook moeilijk te beantwoorden. Op de laatste dag gaven de verschillende discussiegroepen een korte presentatie en er werd een soort manifest opgesteld over wat een 'oppositionele' architectuur is of zou moeten zijn. Maar het Camp for Oppositional Architecture was toch voornamelijk een gelegenheid om eerste contacten te leggen en nieuwe netwerken in het leven te roepen. Het moet gezien worden als een eerste aanzet en in die zin is het zeker van betekenis geweest. Belangrijk is nu om de discussie voort te zetten in de nabije toekomst en dat lijkt te lukken: architectuurgroep GLAS (Glasgow Letters on Architecture + Space Ltd., UK) bood aan om de mogelijkheid van een vervolgcongres in 2005 in de buurt van Glasgow te onderzoeken.