Recensie —

Architectuur in Vlaanderen

Marina van den Bergen

Niet veel Nederlandse architecten zullen het werk van Vlaamse collega’s als Macken & Macken of FLC kennen. Dankzij de serie Jonge Architecten in Vlaanderen kan dit kennishiaat worden gedicht. Tegelijkertijd is de serie een kennismaking met verschillende wijze waarop in Vlaanderen met architectuur wordt omgegaan.

Vier jaar geleden presenteerden een aantal jonge architecten uit Vlaanderen en Wallonië zich op de expositie Supernova. De serie Jonge Architecten in Vlaanderen die nu door A16 (Vincent Brunetta, Véronique Patteeuw) en het VAI (Vlaams Architectuur Instituut) wordt uitgebracht is een van de vervolgprojecten op Supernova. De bureaus die in de verschillende delen aan bod komen hebben met elkaar gemeen dat ze uit Vlaanderen komen. Dat er geen Franstalige bureaus tussen zitten heeft te maken met de subsidievoorwaarden die voortvloeien uit de – niet alleen taalkundige – tweedeling van België. Verder zijn de bureaus gemiddeld tien jaar werkzaam; er is een (soms bescheiden) oeuvre opgebouwd en men is in staat om reflectie te plegen op de eigen werkzaamheden. Met de keuze van de bureaus willen de samenstellers van de reeks vooral een podium zijn voor de jonge Vlaamse architectuur door de diversiteit aan ontwerppraktijken en -benaderingen in Vlaanderen te laten zien. In het eerste deel Macken & Macken : vijf huizen lag de nadruk op het bouwen, het tweede deel FLC : Future conflicts laat een praktijk zien waar verschillende disciplines (kunst, stedenbouw) samenkomen op verschillende schaalniveaus.

Het meest recente deel in de reeks gaat over het Antwerpse Huiswerk Architecten (Erik Wieërs en Dirk Somers). Na een eerste vluchtig doorkijken roepen de projecten niet direct een groot enthousiasme op. Echter na het lezen van de plantoelichtingen in de vorm van vier sleutelbegrippen: contextueel concept & conceptuele context; letterlijkheid; Unzeitgemäß (of oneigentijdsheid); en 50% architectuur (over over- en onderontwerpen), wordt duidelijk wat Huiswerk Architecten willen en ook wat ze niet willen – of ze in de praktijk hierin volledig slagen is een tweede. De vier sleutelbegrippen, die door Arthur Wortmann van uitgebreide en kritische annotaties zijn voorzien, zijn een poging van Huiswerk Architecten om een kritische ontwerpstrategie te formuleren die dicht bij de alledaagse bouwrealiteit staat, maar daar ook kritisch mee om gaat. 'Ze zijn uit op het totstandbrengen van een milde ontwrichting', aldus Wortmann in het opstel 'Architectuur en ironie' waarin hij het werk tracht te duiden.

Architectuurcritici worden wel vaker gevraagd om een stukje te schrijven over een architect in een boek dat het werk van die architect behandelt en waar de architect ook zijn medewerking aan verleent. Meestal levert dit fraaie feestbundels op. De samenstellers van deze serie zijn er tot nu toe in geslaagd schrijvers uit te nodigen die juist niet alles wat de architect bouwt en schrijft voor zoete koek aannemen, maar daar kritische vragen over stellen. Soms leidt dit tot een beter begrip, een enkele keer kan het antwoord van de architecten de twijfel echter niet geheel wegnemen.

Dat Jonge Architecten in Vlaanderen geen serie standaard monografieën is, blijkt duidelijk uit het volgende deel van de serie dat eind oktober verschijnt en gewijd is aan Tomas Nollet en Hilde Huyghe. In deze publicatie wordt slechts één project behandeld en wel hun eigen woonhuis. De samenstellers van de serie, Brunetta en Patteeuw, beschouwen dit huis als een sleutelproject binnen het oeuvre van Nollet en Huyghe. Omdat het ontwerpproces ruim twee jaar duurde, zijn elementen uit vroegere en latere projecten zichtbaar aanwezig. Door verschillende stadia van het ontwerp te tonen in de vorm van schetsjes, foto's van maquettes en detail tekeningen, gaat dit boek vooral over het proces en niet zozeer over het al dan niet gerealiseerde werk.

Door de grafische vormgeving van de reeks wordt de collectieve aard van het project benadrukt. De reeks hanteert een helder no-nonsense format. De covers zijn uniform: wit, geen afbeeldingen, wat ze van elkaar onderscheid is de titel, het serienummer, en de kleur van de rug (de kleurtjes verbeelden het spectrum van de verschillende praktijken). Wat hen bindt is Vlaanderen en het klittenband op de voor- en achterkant van de boeken.