Recensie —

De mooie plaatjes van Superstudio

Marina van den Bergen

In economisch slechte tijden bloeit de papieren architectuur, aldus Hilde Heynen tijdens het symposium ‘Superstudio and the radical architecture today’. Daarmee verwijzend naar de praktijken van onder meer Archigram en Archizoom in de jaren zestig. In de Middelburgse Vleeshal is momenteel een tentoonstelling te zien over het werk van nog zo’n typisch papieren bureau, het Italiaanse Superstudio.

Afgaande op de tentoonstelling Superstudio: leven zonder objecten heeft het  architectencollectief slechts kort een productieve periode gekend waarin veel plannen werden gemaakt, maar niets werd gerealiseerd. Hoewel hun laatste wapenfeiten op de Biënnale van Venetië in 1978 te zien waren, lag het hoogtepunt tussen 1969 en 1972 toen ze onder meer het beroemde Oneindige Monument ontwikkelden. Drie jaar eerder (eind 1966) organiseerde een groep jonge architecten, waaronder Adolfo Natalini, in Florence de expositie Superarchitectuur, als reactie op superproductie, superman, superconsumptie, supermarkt etc. Eind 1967 begon Natalini samen met Christiano Toraldo di Francia Superstudio. Een van hun eerste daden bestond, zoals toen vrij gebruikelijk was, uit het schrijven van een manifest (Inventief design en evasief design), dit zou overigens pas in 1969 gepubliceerd worden. Roberto Magris sloot zich in 1967 aan bij Superstudio, later gevolgd door Gian Piero Frassinelli (1968), Alessandro Magris (1970) en Alessandro Poli (1970).

De strak vormgegeven tentoonstelling in Middelburg met foto's, tekeningen, objecten, collages en films, volgt min of meer chronologisch de productie van Superstudio. De ontwerpen lijken steeds een logische ontwikkeling te zijn van het voorafgaande. Zo hangen er ontwerpen voor catalogusvilla's (1968); het startpunt van een zoektocht naar een enkel ontwerp dat voor ieder object, of dit nu gebouw, meubel of stad was, van toepassing kon zijn 'zodat de architect zijn handen vrij had om zich met belangrijkere dingen bezig te houden' – welke 'dingen' dit zijn wordt niet duidelijk. 'Wij weigeren rekening te houden met de persoonlijke problemen van cliënten en proberen uitsluitend een sereen leven en een geslaagde constructie voor ogen te houden […] een klein onderdeel van de grotere constructie die het systeem van de architectuur bepaald.'  Het systeem werd ook uitgetest op meubels (het Misura-meubilair, 1969) en op de stad (Oneindig Monument, 1969). Vooral het Oneindige Monument is een ironische weergave van die enkele handeling waar veel architecten  – in Nederland onder andere John Habraken en de SAR – naar op zoek waren. Het Oneindige Monument ging echter nog verder, iedereen zou een vierkantje leefruimte krijgen en verlost worden van de uiterlijke kenmerken van de materiele cultuur. Van de totale oplossing van architectuur was sprake in het project Verborgen Architectuur. In 1970 werd Superstudio gevraagd een bijdrage te leveren aan een themanummer van Design Quarterly over conceptuele architectuur. De groep maakte een ontwerp, kopieerde dat drie maal en verbrandde het origineel. De kopieën werden onder toezicht van een notaris in een zinken doos geplaatst die werd verzegeld en uiteindelijk dichtgelast. Na deze actie volgde nog een aantal projecten die veel mooie beelden opleverden maar toch minder zeggingskracht hadden dan die uit de vroege periode.

1 The Continuous Monument – New New York, 1969 litho
2 Materiële Kunst, Project Zeno (illustratie uit boek)

Rest de vraag wat de betekenis is van het werk van Superstudio eind jaren zestig begin zeventig, maar ook of het werk nu nog enige relevantie heeft. De tentoonstelling geeft geen antwoord op deze vragen. Ook het latere gerealiseerde werk van de afzonderlijke leden biedt weinig tot geen aanknopingspunten. Hilde Heynen karakteriseerde het werk van Superstudio als de verbeelding van een negatieve utopie. De beelden die Superstudio produceerde, dienden niet nagestreefd te worden maar zouden bedoeld zijn als waarschuwing; wanneer de wereld en de mensen niet veranderden zou de wereld worden zoals Superstudio haar verbeelde. Een plausibele interpretatie, zelfs Materiële Kunst (1973) – op de tentoonstelling weggestopt op een verdieping – wordt zo een continuering van de door Superstudio ingeslagen weg. Materiële Kunst is de weerslag van de cursus Buitenstedelijk Materiële Cultuur die leden van Superstudio in 1973 waren gestart op de architectuurafdeling van de Universiteit van Florence. De studenten werden naar het platteland gestuurd om een boerengemeenschap in kaart te brengen. Ze tekenden plattegronden van huizen, gaven aan welk voorwerp waar stond en maakten tekeningen van boerengereedschap. Het werd een haast antropologische oefening en een herwaardering van het rurale, eerlijke, eenvoudige leven.

Behalve de bekende projecten van Superstudio hangen er op de tentoonstelling onder de noemer 'Architectonische vormgeving', ontwerpen voor het Italiaanse paviljoen op de wereldtentoonstelling in Osaka (Japan 1970) en een woningcomplex Fiombino (1968). Deze ontwerpen zijn niet wezenlijk anders dan de zogenaamde waarschuwingen, ze lijken een logische uitwerking ervan. Wat zijn dit: waarschuwingen in de vorm van gebouwen? Of pogingen tot serieuze ontwerpen, die gebouwd zouden zijn als Superstudio de kans daarvoor had gekregen? Maar als dat het geval is, hoe oprecht waren dan hun waarschuwingen? Was Superstudio een hype, maar een die nooit geheel uit de herinnering verdween vanwege de krachtige beelden die het collectief produceerde? Beelden die zo krachtig waren dat ze een eigen leven konden gaan leiden en los kwamen van de vermeende boodschap die ze met zich meedroegen. Ook tijdens het symposium kwam men er niet uit. De expositie Superstudio: leven zonder objecten is een bevestiging van waar velen Superstudio van kennen: mooie beelden, maar waar staan ze nu eigenlijk voor?