Recensie —

Metamorfose

Redactie

Van 12 september tot 9 november vindt in de nationale paviljoens in de Giardini en in de grote zalen van het Arsenaal de 9e internationale architectuurbiënnale van Venetië plaats. Een kort overzicht van thema en activiteiten met de nadruk op de Nederlandse bijdragen.

Curator Kurt W. Forster (academicus, auteur, tentoonstellingsmaker) heeft de onder de titel Metamorph, verandering als centraal thema gekozen. 'Metamorph will explore the fundamental changes under way in contemporary architecture, both in the theoretical and practical design field, and in the use of new building technologies', aldus Foster. Daar kun je fijn alle kanten mee uit en het ziet er naar uit dat ook deze biënnale, net als de vorige – het thema was toen Next – vooral een vakbeurs voor de internationaal opererende architect gaat worden. De tijden dat de biënnale een wezenlijke bijdrage aan het actuele debat (probeerde) te bieden lijken voorbij. De laatste curator die daartoe een poging deed was Massimiliano Fuksas met Less Aesthetics, more Ethics in 2000. En eerlijk gezegd slaagde ook hij er niet in het debat werkelijk op gang te krijgen. Terugkijkend heeft eigenlijk alleen de eerste officiële Architectuurbiënnale in 1980 onder de titel The Presence of the Past iets teweeg gebracht. Nadien is het steeds meer een internationaal circus geworden dat inmiddels tweejaarlijks de stand van zaken opmaakt; niet te ingewikkeld, niet te kritisch, het moet vooral gezellig blijven. Met dat in het achterhoofd, en omdat Venetië toch een prachtige stad is om een paar dagen te verblijven, is er ook dit jaar natuurlijk best reden om te gaan kijken. Wie geprikkeld wil worden doet er goed aan om even langs alle landenpaviljoens te lopen. Ervaring leert dat daar altijd wel een of meer verrassende bijdragen tussen zitten.

Als hoofdtentoonstelling wordt in de Corderie een overzicht gegeven van 'works that have literally transformed the discipline of architecture since the 1970s (e.g. Eisenman, Gehry, Rossi, and Stirling) to the latest trends and projects built'. Subthema's van deze tentoonstelling zijn: transformatie, topografie, oppervlak, atmosfeer en 'hyper-projects'. Het Italiaanse paviljoen dat traditioneel geen werk van Italiaanse architecten, maar juist van interessante nieuwe ontwikkelingen rond het centrale thema presenteert, 'will present installations commissioned from various designers, offering specific examples of how the various epochal changes have led to the recent transformations in architecture'.

Nederland is op beide internationale tentoonstellingen ruim vertegenwoordigd met presentaties van: Wiel Arets, Claus en Kaan, De Zwarte Hond, EEA – Erick Van Egeraat Associated Architects, Maxwan, MVRDV, Neutelings Riedijk, NL Architects, NOX, ONL [Oosterhuis_Lénárd], UN Studio, René van Zuuk, West 8 en (ook een beetje Nederlands) Archi-Tectonics Winka Dubbeldam en Urban Future Organization.

Nieuw voor deze biënnale is de grotere aandacht voor (architectuur)fotografie. Met als curator Nanni Baltzer worden drie thema's door circa 60 fotografen uitgewerkt.: In Praise of Shadows (Italiaans Paviljoen – Atmosphere), The Nature of Artifice (Corderie – Topography) en The Harrowing of the City (Corderie – Hyper-Projects). De Nederlandse fotografen Bas Princen en Frank van der Salm behoren tot de exposanten.

Verder is er een aparte tentoonstelling getiteld Cities on Water, die gepresenteerd wordt op een drijvend paviljoen. TU Delft is daarbij vertegenwoordigd met een bijdrage over Nederlandse watersteden en de Rotterdamse Architectuurbiënnale met een vooraankondiging van de 'waterbiënnale' volgend jaar in Rotterdam.

In het Nederlandse paviljoen is de presentatie 'Hybride landschap. De integratie van stad en land als Nederlandse ontwerpopgave 1980 – 2004' te zien. Hierin wordt aandacht geschonken aan de stedenbouwkundige ontwerpmethode die begin jaren tachtig werd ontwikkeld door ontwerpers als Riek Bakker, Frits Palmboom en Michael van Gessel en die nog steeds wordt toegepast bij het ontwerpen van uitbreidingswijken. Een methode waarbij de geleidelijke metamorfose inderdaad het uitgangspunt is. In die zin is het een trefzeker gekozen onderwerp, passend bij het centrale thema en een typisch Nederlandse vorm van stedenbouwmethodiek. Aan de hand van de ontwerpen voor Prinsenland in Rotterdam (1982-1984), Leidsche Rijn in Utrecht (1994-1995) en Maastricht Belvédère (1999-2009) laten de samenstellers de methode én de resultaten zien.