Feature —

Plannen voor een nieuw Stedelijk

Marina van den Bergen, Piet Vollaard

‘Een zeer voorlopig schetsontwerp’, ‘een pre-schetsontwerp’, ‘de visie van de architect’ zo werd gisteren het winnende ontwerp van Benthem Crouwel Architekten voor het Stedelijk Museum in Amsterdam gepresenteerd aan de vaderlandse pers.

De opdracht die de vijf bureaus (Architectuurstudio Herman Hertzberger, Claus en Kaan, Diederen Dirrix Van Wijlick, Henket & partners, Benthem Crouwel) afgelopen juni meekregen, bevatte naast het programma van eisen ook een preambule. Hierin staat onder meer te lezen dat het Stedelijk Museum de positie van 'eigenwijs brandpunt van het culturele leven' wil heroveren. Het nieuwe museum moet een geheel zijn, maar beide delen (de oudbouw uit 1895 en het nieuw te bouwen deel) dienen elk een eigenheid te bezitten: 'eenheid in tweevoud'. 'Afspreken' in het Stedelijk Museum moet weer vanzelfsprekend worden'. Voor de jongere lezers; in de jaren zestig van de vorige eeuw was het Stedelijk wat men nu ‘een culturele hotspot’ zou noemen. Mensen gingen niet alleen naar het museum om kunst te bekijken, maar ook om te zien en gezien te worden.

Het Museumplein en met name het zogenaamde 'ezelsoor' worden in de preambule als problematisch gezien: 'Het moet mogelijk zijn om deze naar het museum toe afkerende houding van het tuinlandschap, op esthetisch verantwoorde wijze betaald te zetten'.

De jury, waarin onder anderen Wim Quist, Hans Beers, Maarten Kloos en Sjoerd Soeters zitting hadden, hanteerde vijf criteria bij de beoordeling van de plannen: werden de gevraagde vierkante meters gehaald? Bleef men binnen het gestelde budget? In hoeverre werd het bestemmingsplan gerespecteerd, wijziging van het bestemmingsplan zou immers extra tijd en geld kosten? Hoe wordt omgegaan met het gegeven dat het gebouw eigenlijk geen achterkant heeft? En als laatste, waar wordt de entree gelegd, de nieuwbouw wordt immers het laatste statement aan het Museumplein?

Er was slechts een paar uren vergaderen voor nodig om tot een unaniem oordeel te komen: het ontwerp van Benthem en Crouwel stak met kop en schouders boven de andere plannen uit. Het college nam het advies van de jury over, en ook de recentelijk nieuw benoemde directeur van het museum Gijs van Tuyl is enthousiast. Dat laatste is mooi meegenomen want de vorige directeur van het museum torpedeerde bij zijn aantreden het ontwerp van Venturi, wat hiervan de gevolgen waren mag inmiddels wel bekend worden geacht. De voorzitter van het bestuur, Rijkman Groenink, prees het ontwerp van Benthem en Crouwel als 'state of the art museum in de wereld'.

Het winnende ontwerp onderscheidt zich wezenlijk van de andere vier inzendingen door de hoofdentree aan het Museumplein te leggen. Ter hoogte van de daklijn van de oudbouw en over de hele gevellengte steekt een reusachtige luivel veertig meter naar voren. De ruimte onder de luivel wordt beglaasd. De foyer die hierdoor ontstaat vormt de entree van het museum. Voor de foyer en het dekselse ezelsoor zal een plein worden aangelegd, of zoals het juryrapport het noemt, een piazza. Vanuit de foyer kan men doorlopen naar de oudbouw, waarvan de indeling gehandhaafd blijft, of kan men afdalen naar de grote zaal en een aantal kleine zalen. Deze ondergrondse zalen worden middels vides en lichtschachten van daglicht voorzien. Onder de grond bevinden zich ook de werkplaatsen en ateliers. De foyer geeft ook toegang tot het vrijhangende volume dat ‘aan het dak hangt’. Hierin zijn onder meer een middelgrote zaal en het auditorium ondergebracht. Een verdieping hoger bevinden zich de kantoren.

De jury is, in tegenstelling tot nogal nurkse commentaar op de overige plannen, ronduit lyrisch over het gekozen ontwerp; ‘de beste stedenbouwkundige oplossing’, ‘verrassend hoogtepunt’, ‘krachtig en vanzelfsprekend’, ‘eenheid in tweevoud’ op superieure wijze gestalte gegeven’, ‘Benthem Crouwel tonen zich meesters in het metier’.

Voordat er gebouwd kan gaan worden zijn echter nog wel een paar ontwerpproblemen op te lossen. Veel zal afhangen van de uiteindelijke vorm, detaillering en materialisering van het vrijhangende volume. Dit soort vrije vormen lopen al snel de kans om er banaal en goedkoop uit te zien. Om het open karakter van de begane grond te realiseren zal ook niet gemakkelijk zijn; met de uitwerking van de dragers van het volume staat of valt het ontwerp. De kolommen in de gepresenteerde perspectieven lijken van glas of zijn helemaal afwezig. Daar zal een iets stevigere, maar even 'afwezige' oplossing voor moeten worden bedacht die de transparantie overeind houdt. 'Bezoekers kunnen via een zelf te bepalen routing de tentoonstellingen en andere functies bezoeken', meldt de plantoelichting. Dat klinkt aardig, maar het kan net zo goed verwarrend zijn en een slim verwoord onopgelost ontwerpprobleem. Dwalen door een museum kan leuk zijn, maar soms wil je gewoon snel en efficiënt langs alle zalen geloodst worden. De positie van de bestaande monumentale trap – het ruimtelijk kenmerk van het huidige Stedelijk – wordt met het verplaatsen van de entree problematisch. Eigenlijk durfden alleen Claus en Kaan de uiterste consequentie aan: afbreken en een nieuwe, even monumentale trap in de juiste richting herbouwen. Benthem Crouwel lost het op door een roltrap in tegengestelde richting, maar of dat de huidige trap opeens een vanzelfsprekende positie geeft is de vraag.

Allemaal geen onoplosbare problemen, als er maar tijd en aandacht voor is om ze op te lossen en zo nodig het schetsontwerp aan te passen. Herman van Vliet, die sprak namens de opdrachtgever, zei te verwachten dat het definitieve ontwerp over een jaar klaar zou zijn, waarnaar begonnen kon worden met de bouw die twee jaar zou gaan duren. Het is te hopen dat opdrachtgever en architect de noodzakelijke zelfbeheersing kunnen opbrengen en het ontwerp er niet 'even doorjassen'.

1,2 Herman Hertzberger
3 Henket
4,5 Claus en Kaan
6 Diederen Dirrix Van Wyl
(klik vergr.)

De andere plannen

Architectuurstudio Herman Hertzberger vat de nieuwbouw op als een grotendeels vrijstaand volume, halverwege de middelste zone is de verbinding tussen de twee bouwdelen. In dit plan krijgt het museum maar liefst vier publieksingangen: de oude entree blijft gehandhaafd, het museum is toegankelijk vanaf het Sandbergplein, de Van Baerlestraat, en het Museumplein. Naast het ezelsoor aan de zijde van het Van Goghmuseum loopt een trap omhoog naar het terras van het museumcafé. In het souterrain van de nieuwbouw en duidelijk zichtbaar vanaf de Van Baerlestraat bevindt zich de negen meter hoge grote zaal. De jury: 'Hertzbergers daglichtmuseum is een goed, beheerst gebouw dat met het onlangs geopende Museum/CODA in Apeldoorn, ook van zijn hand, een herkenbare voorganger heeft.' De aansluiting op het ezelsoor noemt zij 'nogal krampachtig'.

Henket & Partners hebben eveneens gekozen voor een vrijstaand volume dat tegen het ezelsoor aan staat, een overdekte passage verbindt beide bouwdelen. De entree van het museum komt aan het Sandbergplein te liggen. De jury: 'Voldoende om de zinnen te strelen, maar niet genoeg om te frapperen'.

Claus en Kaan leggen de publieksentree aan de Van Baerlestaat en het Sandbergplein is verlengd door een open beeldentuin, de zijde aan het Museumpark is op een loggia na vrijwel gesloten. Kenmerkend voor dit ontwerp is de voortzetting van, en zelfs vervlechting met, de oudbouw. Dit komt in de gevel onder meer tot uitdrukking door het voortzetten van de horizontale belijning in de nieuwe bakstenen gevel. Als enige bureau stellen Claus en Kaan voor om de monumentale trap 180 graden te draaien ter verbetering van de routing. De jury: 'Het museumgebouw van Claus en Kaan gunt de buitenwereld zelfs geen blik waardig' en 'In dit ontwerp wordt de legendarische trap in de monumentale oudbouw afgebroken en de eeuwenoude buitengevels krijgen brandtrappen te verduren'.

Bij het plan van Diederen Dirrix Van Wylick wordt een nieuw element tegen het bestaande gebouw geplaatst. De nieuwbouw wordt doorsneden door een semi-openbare straat die tussen het Sandbergplein en de Van Baerlestraat loopt. Aan weerszijden van deze passage liggen de museumwinkel, het kenniscentrum, het restaurant en het auditorium. De entreehal en het museumcircuit zijn gericht op de passage. Vanuit de passage wordt een blik gegund in het museum. De jury: 'In modieuze zin lijkt alles in orde bij deze nieuwbouw, geen dissonant te bekennen, maar wat een onaandoenlijke, gesloten wereld'.