Recensie —

Vals plat

Timo de Rijk

Eind augustus verscheen het boek ‘False Flat. Why Dutch Design is So Good’ van Aaron Betsky en Adam Eeuwens. Een boek zoals een boek behoort te zijn volgens designkenner Timo de Rijk.

In de week van de presentatie van het dikke designboek False Flat concludeerden vijf vooraanstaande buitenlandse curatoren dat de Nederlandse kunst ingeslapen is en internationaal niets voorstelt vanwege het weekmakende subsidieklimaat. Kunstenaars werken met gegarandeerde stipendia en werkbeurzen voor evenzeer staatsgesteunde instellingen, een particulier mecenaat bestaat nauwelijks en een prikkel om een groter, liefst internationaal publiek te vinden is derhalve niet aanwezig. Een steekhoudende analyse, die de laatste jaren wel vaker is gemaakt, maar die geheel onbedoeld door de auteurs van False Flat, NAi directeur Aaron Betsky samen met auteur-ontwerper Adam Eeuwens van reliëf werd voorzien. Volgens Betsky en Eeuwens is datzelfde Nederlandse poldermodel met zijn consensus mentaliteit in combinatie met het uitgebreide subsidiestelsel juist de oorzaak van de kracht, de originaliteit en het internationale succes van het Nederlandse design en architectuur.

Tussen de internationale kunstwereld en de wereld van architectuur en vooral design bestaan natuurlijk grote verschillen. De autonome kunstenaar figureert in een fijnmazig net van galeries, verzamelaars, musea en andere exposerende instellingen terwijl architect, productdesigner en grafisch ontwerper overal ter wereld een pragmatisch en dienend beroep is. Behalve in Nederland, dat met subsidies, verschillende tijdschriften, staatsgesteunde maar onafhankelijke instituten en enkele avant-garde galeries, zowel de bron en het middel als het doel en het podium voor een spraakmakende vormgeving creëerde: het inmiddels wereldberoemde Dutch Design. Het is volgens False Flat de enige wezenlijk interessante Nederlandse bijdrage aan de wereld van het ontwerpen. Dutch Design is onvergelijkbaar in zijn onafhankelijkheid en vrij van de knoet van het commerciële bestaan. Voor velen (niet in de laatste plaats de industriële ontwerp-ingenieurs, die in het boek zo ostentatief ontbreken) dringt de vraag zich op, of we met Dutch Design niet juichen voor een winnaar zonder tegenspelers. Is Nederlands design, met zijn vrije vormgeving en gesubsidieerde ontwerpexperimenten gewoon beter of heeft het in de wereld eigenlijk geen concurrentie? Zijn we net zoals op het Dutch Design ook niet al jaren trots op het grootste bloemencorso en het wereldkampioenschap korfbal?

Wie False Flat ter hand neemt, kan onmiddellijk concluderen dat Betsky en Eeuwens het zich niet gemakkelijk hebben gemaakt. Een veelheid aan illustraties, vooral van architectuur en landschap maar ook productdesign, oude en nieuwe schilderkunst, grafische vormgeving en reclame doet de lezer van het boek eerst duizelen. De aanpak wijst op een brede blik maar ook op de belofte van verklarende mechanismen die de auteurs wel moeten hanteren om Dutch Design en de Nederlandse karaktertrekken in een verhaal te kunnen vertellen. False flat bestrijkt immers een breed gebied dat zich niet alleen in formeel opzicht vaak zeer verschillend manifesteert, maar ook in reikwijdte van het discours sterk uiteenloopt: van de prima donna architectuur en het intellectuele theater van OMA en UN Studio tot de productontwerpers van Droog Design die in hun leesblindheid soms de voorwaarde van hun ontwerptalent zien.

False flat wordt gegrondvest op een historische introductie van Nederland, die wervend uiteengezet wordt door middel van een fietstocht van Betsky’s woonhuis in de laaggelegen Alexanderpolder naar zijn werkplek in het centrum van Rotterdam. Vanaf het begin is de architectuur de leidraad van zijn betoog. Waar veel Nederlanders Rotterdam als de enige internationale stad van hun land zien, probeert Betsky aan de hand van de belangrijke historische gebouwen in Rotterdam, juist de geschiedenis van Nederland en het karakter van zijn inwoners te verklaren. De lezer zit als het ware op Betsky’s bagagedrager en dat  levert aantrekkelijke en verfrissende observaties op, variërend van de het vals plat dat Rotterdam en Nederland zo kenmerkt, tot de ontstaanswijze van de Kralingse Plas. Als introductie geeft False Flat echter ook de eenzijdige en schetsmatige clichés van de wortels van het Dutch Design. Nederland wordt getypeerd aan de hand van het vooroorlogse Nieuwe Bouwen en het humane modernisme van de jaren vijftig, in de vorm van respectievelijk de Van Nelle fabriek en de Lijnbaan én door de vermeende afkeer van ’s lands inwoners van grote gebaren en gebouwen, zichtlijnen en protserige architectuur. Hier blijft de vooroorlogse en toen algemeen geaccepteerde expressionistische architectuur ongenoemd, is de grote Bijenkorf van Marcel Breuer de uitzondering op de regel (en natuurlijk niet het veel grotere luxueuze stadhuis ertegenover, laat staan De Bijenkorf in Den Haag of Amsterdam) en gaat het boek achteloos voorbij aan de grote, gloednieuwe classicistische bankgebouwen en het belastingkantoor die een decennium lang het gezicht van het naoorlogse Rotterdam hebben bepaald.

Het is natuurlijk een mooi staaltje van finalistische geschiedschrijving: False Flat is op zoek naar de wortels van het hedendaagse Dutch Design dat zich uitentreuren beroept op die modernistische voorlopers en waarin de chroniqueurs van die beweging (godbetert) zelfs ironie en humor weten terug te vinden. In die modernisering en vooral in de typisch Nederlandse opvatting van het modernisme vinden Betsky en Eeuwens de sleutel van het succes en de unieke kwaliteit van het Dutch Design. Waar in het buitenland het modernisme heroïsch is en immer taalt naar radicale vernieuwing en originaliteit, daar presenteert False Flat het Nederlandse modernisme als een ontwerpbeweging die de bestaande werkelijkheid  herschikt en intensiveert: ‘Dutch modernism is a design movement because it involves itself in the reorganization of the things of everyday life.’

Eenmaal afgestapt verliest False Flat zijn vaart, maar wint het sterk aan diepgang, originaliteit en nuancering. Betsky en Eeuwens gaan voor hun verklaringen zelfs uitgebreid terug tot de Hollandse Gouden Eeuw, als om de lezer te overtuigen van een allesdoordringende en eeuwigdurende Dutchness. Een volk dat in innovatie niet het wezenskenmerk van zijn modernisme vindt, verandert immers nooit, zal de gedachtegang geweest zijn. Cruciaal en enerverend is het hoofdstuk waarin de ideeën van de Berkeley-kunsthistorica Svetlana Alpers ten tonele worden gevoerd. Ook Betsky en Eeuwens realiseren zich dat Alpers’ zienswijze ‘somewhat controversially’ is, een eufemisme voor de stormachtige hoon die haar werk in de jaren tachtig ten deel viel van de vele iconografische geschoolde Nederlandse kunsthistorici. Alpers beziet de Hollandse schilderkunst niet met haar symbolische betekenis die het volgens velen voor de toenmalige beschouwers had, maar wijst op de ‘seeing is knowing is making’ houding die de Hollander ten opzichte van zijn omgeving had: een zeer sterke voorkeur tot hyperrealisme die met behulp van kaarten, microscopen en camera’s obscura bevredigd werd. De wereld in de Nederlanden is volgens Alpers en met haar de auteurs van False Flat naar binnen gericht, zelfs de stad is een huiselijk interieur en in huis wordt de plaats van het raam ingenomen door een spiegel of een landkaart. Het menselijke bestaan van de Nederlander en zijn culturele omgeving verwijst niet naar buiten, maar uitsluitend naar zichzelf. In relatie tot design hebben de auteurs daar beslist een overtuigend argument, dat met de datascapes van MVRDV, de realistische miniatuurwereld van fotografen en de remakes van bestaande producten van veel Droog-ontwerpers plastisch bewezen wordt. Wat summier besteden ze aandacht aan de relatie tussen de goddelijke natuur en de menselijke cultuur, een tegenstelling die de Alperiaanse visie mogelijk nog complexer en interessanter in stelling had kunnen brengen.

False Flat ziet er prachtig uit, maar toch heeft de exercitie van ontwerpster Irma Boom ook een nadeel: de grillig geplaatste biografieën van vooral ontwerpers waarmee de tekst doorschoten is, zijn in hun volgorde eigenlijk onbegrijpelijk en passen moeizaam bij de inhoudelijke strekking van het boek. Verder is False Flat vooral alles wat een boek behoort te zijn. Het is een intellectuele bron en een wervend betoog, het neemt stelling, prikkelt en roept nieuwe vragen op. Dat het boek ook lekker beetpakt, bijna uitzinnig vormgegeven is en de loftrompet over ons eigen design steekt, zullen wij Calvinisten dat de makers dan voor deze ene keer vergeven?