Feature —

State of Emergency

Bert de Muynck

Op donderdag 23 september vond in het Stedelijk Museum Amsterdam de conferentie ‘State of Emergency’ plaats. Deze werd georganiseerd door de Jan van Eyck Academie te Maastricht en behandelde het vraagstuk van de territoriale identiteit in het postpolitieke tijdperk.

De soevereiniteit van de nationale staat staat onder druk door inter-, sub- en transnationale krachten. Het informatietijdperk verandert de wereld in een carrousel van kapitaal, informatie en goederen. De natiestaat is niet langer het construct en de vertaling van aanvaarde waarden en normen, maar een speelbal zwevend op erupties van politieke ruimtes, ideologieën en experimenten. Inclusie, exclusie en hegemonieën bepalen haar spin. Welke rol spelen design, architectuur, theorie en filosofie hier in? Wat verbeelden ze? Leiden die condities en realiteiten tot nieuwe symbolen? Dat was, samengevat, het opzet achter State of Emergency. Een volle zaal luisterde naar reflecties en analyses van Slavoj Zizek, Anselm Franke, Boris Buden, Meta Haven, AMO en Dieter Lesage. Naarmate de middag vorderde, droop het publiek af. In een conditie die geurde naar activisme was het activisme richting uitgang veelzeggend. Een symposium over communicatie en ontwerp had beter een andere formaat kunnen kiezen dan het voorlezen van diepreflectieve papers. Of niet? Is inhoud dan toch belangrijker dan vorm?

Lieven de Cauter trapte de conferentie af met een capsulaire beschavingstheorie. Daarin staat de States of emergencies voor een tijdelijke opheffing van de legale orde die leidt tot een conditie waarin de new imperial world order de scepter zwaait. Dit leidt tot chaotische in- en uitsluitingen en desintegratie van de maatschappij zoals wij die menen te kennen. Volgens de Cauter leven we in deze entropische conditie, waarin Guantánomo Bay en Abu Ghraib monaden zijn. De vraag is hoe we dit fenomeen kunnen benoemen, postpolitiek of postmaatschappelijk?

Volgens Slavoj Zizek (filosoof en professor, Ljubljana) ligt de oorsprong van die entropische conditie in het midden van de jaren 70; extreme seksualiteit, politiek terrorisme en new age waren de tendensen die de maatschappij wegleiden van waarachtig politiek activisme. Nu leven we in een tijdperk waarin ieder product of object reeds haar eigen tegengif in zich draagt, wat hij illustreerde met een laxeermiddel van chocolade. De hedendaagse oorlog lijdt hier ook aan, slachtoffers worden behandeld als slachtoffers als ze zich zo gedragen. Deze realiteitsvervorming leidt tot een conditie waarin de homo sacer van de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben centraal staat; mensen, zelfs als ze gevangen worden, zijn in bepaalde omstandigheden reeds theoretisch dood. Zo zijn terroristen bijvoorbeeld dood interessanter dan levend, in het laatste geval worden ze juridisch in leven gehouden waardoor ze paradoxaal hun straf ontlopen.

Anselm Franke (curator en criticus, Berlijn) presenteerde zijn Islands en Territories project (zie artikel 2003) hierin staat de globale fragmentatie en enclavisering centraal; een conditie van interieure domesticatie, exterieure uitsluiting, exclusiviteit en verbinding. Soevereiniteit als ver- of inbeelding van identiteit. De derde spreker was Boris Buden (schrijver en cultuurtheoreticus, Berlijn), activist uit de Joegoslavische vredesbeweging. Hij sprak over de relatie tussen de natiestaat en haar narratief, leidend tot contradicties tussen ideaal, democratie, autoriteit en controle. Aan de hand van de geschiedenis van het vroegere Joegoslavië suggereerde hij een politiekhistorisch cultureel verhaal waarbinnen experimenten succesvol kunnen zijn, zelfs als ze falen. De dystopische idee van een mogelijke Balkanisering van de Europese Unie, kreeg hier een positief antwoord en ontnuchterende retro-actieve blauwdruk. Niet door de toekomst dwangmatig negatief uit te zetten, maar door uit de geschiedenis die ideologische en culturele elementen te halen, die versterkt kunnen worden. Zo bleek voor de vorming van het vroegere Joegoslavië het gemeenschappelijk communistisch verzet tegen de Nazi-overheersing een belangrijker leidmotief, dan de etnische verschillen tussen Kroaten, Bosniërs en Serviërs.

Na de pauze mocht Daniel van der Velden het onderzoek en ontwerp presenteren dat hij samen met Tina Clausmeyer, Vinca Kruk, Adriaan Mellegers en Next Architects deed, The Meta Haven: Sealand Identity Project. Sealand is een booreiland voor de Britse kust, dat in september 1967 gekraakt werd, en international geldt als testcase voor soevereiniteit. Een interessant verhaal over de ups en downs van Sealand geschiedenis als familiale vrijplaats leidend tot internet vrijplaats, werd gelinkt aan een groter Empire-verhaal. De ontwerpers verbonden de mythologie aan de realiteit middels een identiteitsrepresentatie in munten, postzegels, vlaggen en creditcards. In deze conditie moest de ontwerper een land zien als een bedrijf. Deze studie had het nadeel dat Sealand's gezichtsloze identiteit, haar voordeel, van een dwangmatig representatie wordt voorzien, een nadeel.

Dit in tegenstelling tot de volgende spreker, Reinier de Graaf, AMO, die met een schijnbaar zelfde gezichtloos politiek en cultureel gegeven aan de slag moest. Het verschil was er echter dat de representatie in deze casus niet nivellerend, eerder confronterend, absorberend en demystiferend werkte. Hij presenteerde er The Image of Europe studie, waarin de creatie van een nieuwe iconografie, communicatiestrategie en narratief noodzakelijk waren. De Europese Unie werd afgezet tegen de wijze waarop Amerika dit doet, niet als voorbeeld, eerder als de andere pool van het spectrum. Rem Koolhaas-AMO zachte megalomie bleek een pleidooi voor het complexe denken te zijn. Die complexiteit, nu te zien in Brussel, lijkt de Europese Unie van een balkanisation-in-reverse te willen behoeden.

Als laatste spreker was er Dieter Lesage, die Negri, Hardt en Kojève besprak, zich afvroeg of politiek wel onderwerp van ontwerp kon zijn, protectionisme en universalisme afwoog, de extraterritoriale toepassing van nationale wetten ter discussie stelde, het postmoderne concept van het eiland belichtte en fulmineerde tegen het Project for a New Century van de Bush-administration. Het klonk als een interessant verhaal, maar waarschijnlijk makkelijker om te lezen dan om naar te luisteren.

State of Emergency sloot af met een discussie die de relatie tussen ontwerp en politiek wilde bepalen. Zo is het ontwerp in staat om een brug te slaan tussen de politiek en de communicatie van haar intenties, dit kan zich uiten in propaganda of in kritiek op het systeem. In het eerste geval wordt ze een logo van een ideologie, in het tweede een absoluut 'no logo'. Wat paradoxaal genoeg ook weer een logo is. Over de betekenis van het ontwerp en wat een ontwerp kan betekenen, werd in de discussie heen en weer geschoten, maar weinig bereikt. Bij het naar buitengaan moest ik denken aan Zizek's laxeermiddel uit chocolade, deze conferentie was er ook zo eentje. Ze was goed omdat ze bepaalde ideeën aan de orde stelde, maar verloor zichzelf in een schijnbaar post-politieke spin. In dit soort discussies lijkt enkel de bepaling van normen en waarden van belang, welke impact ze hebben op de maatschappij niet meer.