Recensie —

Tune in & Turn on

Bert de Muynck

Is Luc Deleu realist, utopist of visionair? Eerlijk gezegd, het is een vraag die ik liever niet beantwoord. Na de tentoonstelling Values in het Antwerpse MUHKA gezien te hebben, houdt me slechts één vraag bezig. Welke waarde heeft het werk van Luc Self-Power Man Deleu, de zelfverklaarde orbanist?

Orbanisme is het open concept waarmee Luc Deleu werkt.’Orbanisme staat dus voor een metafysische en materiële ordening van de wereld ten bate van het gemene best, het algemeen belang. Orbanisme beoogt een dynamisch evenwicht tussen orde en chaos, tussen architectuur en leven, tussen cultuur en neo-cultuur. (…) Orbanisme houdt solidariteit en juiste verhouding in zich en is ecocentrisch, evenwichtig en uniek, in tegenstelling tot mondialisering of globalisering, die egocentrisme en conflict inhouden en antropocentrisch, onevenwichtig en generiek zijn.’

Luc Deleu heeft de voorbije 34 jaar een Vlaams cult-oeuvre bij elkaar ontworpen, geschreven en gebouwd. Zo ontwierp met de Mobile Medium University (1972-1989) drie vliegdekschepen die worden omgebouwd tot drijvende universiteiten om zo het plaatsgebrek op aarde op te vangen, bouwde hij in 1978 maquettes met legoblokjes (die vanaf 1983 vervangen werden door containers), werd in 1979 de Laatste Steen van België ontworpen, en onderzocht hij sinds 1980 de relatie tussen schaal en perspectief in verschillende installaties. Momenteel is op verschillende locaties in Antwerpen en Brussel werk van hem te zien; Values is nieuw, de overige zijn klassiekers.

Op de Values tentoonstelling in het MuHKA, staat Vipcity centraal. Vipcity is de nieuwste uitwerking-aanvulling van Luc Deleu’s idee over de stad. Een idee dat hij sinds 1995 met zijn T.O.P. Office (Turn On Planning, opgericht in 1970) uitwerkt onder de noemer van de onaangepaste stad, the unadapted city. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van de volgende methodiek:

De Onaangepaste Stad is gebaseerd op een uitgebreide studie van de sociale draagvlakken die een bepaalde nutsvoorziening mogelijk of noodzakelijk maken. Eerst wordt dus nagegaan welke voorzieningen en uitrustingen nodig of wenselijk worden bij een bepaald inwonersaantal, dan worden deze cijfers moedwillig geïnterpreteerd en vertaald in benodigde volumes en ten slotte wordt gezocht naar complexe ritmes (arrangementen) om deze volumes a-functioneel te spreiden.’

Er waren reeds de wijken Brikabrak (1998), Dinkytown (1998-99) en Octopus (1999), Vipcity is nu hieraan toegevoegd; een verkaveling voor 38.000 inwoners in vrijstaande woningen met een 7,5 km lange stadsas.

In het MuHKA zijn de werktekeningen van Vipcity te zien, de partituren waarin hij het ontwerp detailleert en de ontwerptekeningen waarin Vipcity klaar is voor de derde dimensie. De taal waarin het gepresenteerd wordt, ligt ergens tussen MVRDV meets vroege OMA meets Le Corbusier meets Megastructuur. De verschillende stadsdelen worden aangeduid als broadacre, generic, dymaxion, unité, powerpoint, brainpower, xxx, yyy en zzz. Soms komen die samen in een unité towards powerpoint. Ook staat er een fragment van de wijk Vipcity, De Zeemijl. Deze 18,51 meter lange maquette (schaal 1/100) bevat naast zes kantoorgebouwen ook de nodige ruimte en infrastructuur voor horeca, sport en amusement, sociale voorzieningen, transport enz. die verbonden worden door een fietscircuit en een luchttram.

Elders in het MuHKA is een acht afleveringen tellende soap opera van Hans Theys te zien. Deze volgde Luc Deleu de laatste vijf jaar en belicht in Jambers-achtige stijl de bouw van ‘Driegeneratiewoning Niebuur’ in de Nederlandse gemeente Poortugaal, de werkzaamheden aan ‘De Onaangepaste Stad’ en aan tentoonstellingen in Amsterdam, Brétigny en Antwerpen. In een ander deel van het museum zijn voorstellen voor een herstructurering van de Antwerpse haven te zien.

Luc Deleu beschouwt zichzelf in het universum van het museum niet als een architect, maar als een beeldend kunstenaar. Want, volgens de eigen formulering, is hij kunstenaar omdat hij architect is. Architectuur interpreteert hij als een conceptuele en theoretische opgave en niet noodzakelijk als een pragmatische. Zijn grondhouding is die van het modernisme zoals Le Corbusier beleed; architectuur niet als een vrijblijvend taalspel, maar als een verantwoordelijke, inhoudelijke opgave. Zijn taal is er één die werkt met aantalen, structuren, functiepatronen en vormen en die hij organiseert in driedimensionale trompe-l’oeils. De, weliswaar niet van een links-dictatoriale ideologie gespeende, detaillistische en wetenschappelijk aandoende uitwerking van zijn stedelijk concept schurkt aan tegen een debat over de structurering van en (samen)leven in de wereld. Wat dit oplevert wordt niet helemaal duidelijk. Een soort platte Merzbau waarbinnen formele assen, openbare ruimtes, mobiliteit en vreemde vormen een onbekende cultuur genereren? Die onduidelijkheid kan duiden op een respect voor de toeschouwer, maar slaat niet zelden om in een vrijblijvend gevoel. Kunnen die maquettes en tekeningen gezien worden als zelfstandige en op zichzelf functionerende werken of zijn het follies van een geëngageerd architect?

In zijn monumentaal, formeel en kunstzinnig universum flirt Deleu gaarne met Le Corbusier, Duchamp, Buckminster Fuller, Haus-Rucker, da Vinci en Michelangelo. Jammergenoeg spat bij Deleu het intrigerende er niet van af, daarvoor lijkt zijn zelfgekozen weg te vrijblijvend. Values kenmerkt zich door het ontbreken van de chronologische ontwerp- en denklijn waarin Vipcity gezien, gelezen of verkend kan worden. De tentoonstelling wordt hierdoor een fragmentarisch momentopname. De schaarse inrichting schreeuwt, door haar beperkt gewicht, naar meer. Enkel jammer dat dat meer overal in Antwerpen en Brussel verspreid ligt. Wellicht past het in de filosofie van de (wereld)reiziger Luc Deleu, maar het werkt hier enkel verdunnend.