Feature —

De constructeur in de schijnwerper

Frido van Nieuwamerongen

Architecten hebben steeds meer belangstelling voor de constructeur. Geen wonder, want zijn inbreng kan een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de hedendaagse complexe, computergeanimeerde architectuur. Daarom in het Berlage Instituut een keer geen lezing van een architect of kunstenaar maar van een constructeur: Rob Nijsse over de schoonheid van het construeren.

Eerst een uitstapje naar Venetië, naar de architectuurbiënnale. Het Arsenaal stond vol met tweehonderd meter blobbende, stromende en morfende gebouwen, schitterend gepresenteerd met computeranimaties en maquettes. Maar hoe deze ontwerpen te realiseren? Een paviljoen voor Audi bestaande uit dubbel gekromde glazen wanden is prachtig ontworpen en gemaakt. Op de video is te zien hoe monteurs met witte handschoentjes behoedzaam de glazen platen in een gebogen frame assembleren. Projecten met een minder luxueus budget vallen in de uitvoering vaak tegen, denk bijvoorbeeld aan het Neeltje Jans paviljoen of de glazen gevels van het stadhuis in Alphen. Het is daarom niet verwonderlijk dat architecten driftig op zoek zijn naar vindingrijke constructeurs die hun vloeiende lovebaby's helpen verwezenlijken.

Ook in Nederland is er een groeiende aandacht voor de constructeur. In juni hielden de afdelingen Civiel en Bouwkunde van de TU Delft een gezamenlijk symposium over de synergie tussen constructeur en architect. In september organiseerde Stichting Booosting, promotor van bouwinnovatie, een symposium over de creatieve constructeur en het Berlage Instituut nodigde in oktober voor het eerst enkele constructeurs uit voor hun dinsdagavond lezingen.

Rob Nijsse van bureau ABT sprak 26 oktober in Rotterdam over zijn passie voor constructies. Nijsse onderscheidt vier categorieën constructeurs: van de passieve calculerende constructeur tot de actieve creatieve ontwerper. Het grootste deel van de constructieopgaven bestaat uit routinematig rekenen, werk dus voor de eerste categorie, slechts een fractie van het werk vraagt om een ontwerpende constructeur.

Nijsse zelf behoort zonder twijfel tot een van Nederlands meest inspirerende constructeur-ontwerpers. Zijn lezing voor het Berlage Instituut beperkte zich tot glazen constructies: 'wonderlijk door zijn afwezigheid maar toch sterk genoeg om te dragen'. Over glazen constructies is, vergeleken met staal of beton, nog relatief weinig bekend. Het construeren bezit hier nog de charme van het pionierswerk: eindeloos experimenteren en testen, om vervolgens met veel vasthoudendheid sceptische ambtenaren te overtuigen.

Het eerste glazen gebouw van Nijsse was het Sonsbeek paviljoen van Benthem Crouwel architecten uit 1988. Bijna volledig van glas met alleen de liggers van staal. 'Glas was wel mogelijk maar de architecten wilden er niet aan', aldus Nijsse. Sinds dit paviljoen heeft hij zo een beetje alles al eens in glas gerealiseerd: trappen, bruggen, tuinhuizen, daken.

Glazen gebouwen kunnen iets klinisch hebben, iets afstandelijks zoals de glazen tafels in een doorsnee meubelhuis. Het Talus du Temple van Dirk Jan Postel gaat daarom verder. De glazen gevels dragen hier een dicht massief dak, zo de lichtheid van het glas versterkt. Het probleem is vooral de stabiliteit van zo'n constructie. Een gemiddeld constructeur lost dit op met stabiliteitsverbanden. Bij deze tempel zou dit het concept tenietdoen, reden waarom bij dit paviljoen alle stabiliteit opgevangen wordt in de glasinklemmingen.

Bij de meeste projecten dient Nijsse de architect. Daar heeft hij geen moeite mee. De prijsvraag voor een glazen dak op de binnenplaats voor het Amsterdamse Scheepsvaartmuseum bood hem de mogelijkheid als constructeur solitair te ontwerpen. Nijsse liet zich in deze opgave leiden door zijn fantasie. Niet de eenvoudigste constructie heeft zijn voorkeur, 'deze levert geen bijdrage aan de vooruitgang van de mensheid' zo stelde hij. Hij ontwierp een schitterende glazen waaier met glazen spaaksgewijs lopende ribben en een te openen kern in het midden. Nijsse zocht hier niet naar de onzichtbaarheid van het glas, maar benutte haar reflecterende en spiegelende karakteristieken voor een nieuwe dimensie in glazen constructies. Hij heeft de prijsvraag niet gewonnen, de jury zocht naar een meer 'onzichtbare' oplossing. Door de prijsvraag heeft hij wel weer verder kunnen experimenteren met nieuwe uitdrukkingen van het materiaal. Fantasie gekoppeld aan inzicht en bevlogenheid, het zijn de ingrediënten waarmee de constructeur de uitdagingen van de hedendaagse architect aangaat. In Nederland geeft Nijsse het voorbeeld. Wie volgt?