Recensie —

Jacq. de Brouwer, Slow architecture.

Harrie van Helmond

Het lijkt of er zich in Brabant zo langzamerhand een geheel eigen modernistische traditie aan het ontwikkelen is, die stoelt op continuïteit, vakbekwaamheid en terughoudendheid. Over Jacq. de Brouwer, één van de representanten van die traditie, verscheen onlangs een monografie. Harrie van Helmond kenschetst het karakter en ontrafelt de relaties.

Het is geen toeval dat de monografie over Jos Bedaux uit 1989 en het onlangs verschenen boek over het werk van Jacques de Brouwer in hun verschijningsvorm zo overeenkomen. De eerste publicatie in een zwarte fijnlinnen kaft, de tweede in grijze groflinnen cover en bij allebei de naam van de architect in bas-reliëf. Daarnaast zijn beide uitgaven op zwaar papier gedrukt met een veel ruimte latende bladspiegel en een nadrukkelijk lettertype. En dan zijn er nog die punten achter de voornamen: Jos. Bedaux architect en Jacq. De Brouwer architectuur.

De relatie tussen beide architecten is stevig en sinds 1996 geformaliseerd in de naamgeving van het huidige bureau Bedaux De Brouwer Architecten. In de inleidende tekst van Hans Ibelings onder de titel De weelde van schraalheid komt uitgebreid aan bod hoe Jacques de Brouwer in 1978 op het bureau van Peer Bedaux begon. Peer is de zoon van Jos Bedaux (die overigens Jo genoemd werd.) Aanvankelijk werkte Jacques in het abstracte idioom van  Jos Bedaux, eerst als tekenaar en na afronding van de studie aan de Tilburgse Academie voor Bouwkunst als ontwerper. Na de heel eigen architectuur van Jos Bedaux (met als hoogtepunt het Tilburgse KUB- complex) werd onder zoon-opvolger Peer het handschrift van het bureau traditioneler.

Ibelings benadrukt dat het De Brouwer niet zozeer te doen was om het idioom van Jos Bedaux, maar om de thema's in zijn werk, zoals bouwkundig vakmanschap, gevoel voor verhoudingen en stedebouwkundige trefzekerheid. Desondanks noemt Ibelings de manier waarop De Brouwer voortbouwt op de bureau-erfenis uitzonderlijk binnen de Nederlandse architectonische cultuur waar originaliteit en vernieuwing belangrijker wordt gevonden dan continuïteit. Nu nog steeds zijn er elementen aan te wijzen die blijven terugkomen: zwaar ogend metselwerk, wit houten colonnades, slempwerk (cementeren, het insmeren van metselwerk met een zand-cementpapje), ambachtelijke uitstraling. Intussen is de derde generatie Bedaux bij het bureau actief. Misschien is continuïteitstraditie zelfs een Brabants trekje. Er is nog een voorbeeld van een vergelijkbare omgang met het architectonische erfgoed binnen het (familie)bureau, met een zelfde menging van traditie en moderniteit als bij Bedaux: De Bever architecten uit Eindhoven. Het begon met Cees De Bever, daarna Loet en Leo en nu Stefan en Prosper de Bever.

Voor- en achterzijde woningen Nolenslaan, Utrecht (1998-01)

De Brouwer kon zijn eigen weg gaan bij het bureau toen hem een eerste grote opdracht werd gegeven: woningen rond het Merodeplein te Tilburg. De opdrachtgever vroeg om een niet traditionele architectuur (hij kreeg er later een Bronzen Bever voor). Het ontwerp was in een voor het bureau nieuwe modernistische taal, die al snel daarna indikte tot die typische De Brouwerstijl die Ibelings ‘schraal’ noemt. Dit is echter een term die misverstanden zou kunnen oproepen. Wars van de Hollanditische neiging om met materialen en vormen te experimenteren, werkt De Brouwer rustig aan een steeds stillere bouwstijl. In de projectbeschrijvingen van Ibelings wordt er herhaaldelijk op gewezen hoe er, ondanks de introverte en soms poëtische gevels, sprake is van interieurs vol daglicht en ingekaderde uitzichten. Deze lichtheid is vanaf de buitenzijde bijna niet voorstelbaar.

Het bureau-oeuvre van Bedaux De Brouwer Architecten is momenteel in twee richtingen gesplitst. Het traditioneel geïnspireerde werk van Peer, in navolging van het vroege werk van Jos Bedaux. En daarnaast het eigenzinnige werk van Jacques de Brouwer, met name in de laatste tien jaar. Waar het eerste overduidelijke Scandinavische verwijzingen bevat (Arne Jacobsen), valt het werk van De Brouwer nog het beste te duiden als een ordening van vlakken en elementen die zwaarte uitdrukken. Met minimale gevelspleten, zeer diep gevoegd metselwerk en uitkragende schijven neemt het stelling tegen het snelle en vluchtige. Je zou het slow architecture kunnen noemen.

De roodbruine monochrome behandeling van steen, staal, hout en aluminium in het Utrechtse Nolensstraatproject toont de sculpturale benadering van Bedaux. In het boek is dat vanwege de zwart wit foto’s moeilijk te ervaren. Het hoogtepunt in deze abstracte richting zal ongetwijfeld het in aanbouw zijnde woningbouwcomplex aan het Tilburgse Pieter Vreedeplein worden. Hier levert draaiing en uitstulping van gevelopeningen een volstrekt abstract beeld op dat, nog meer dan bij de prachtige Cenakeltorens, het in zich heeft een icoon van Tilburg te worden. De wethoudster liet er tijdens de boekpresentatie geen onduidelijkheid over bestaan: het bureau kan dan wel in Goirle gevestigd zijn, maar het heeft Tilburg op de architectonische kaart gezet. De, overigens mooie, foto’s van Kim Zwarts laten met hun leegte en geïsoleerde kadrering de stedelijke context en het stedelijke effect van deze bouwkunst helaas buiten schot.

De kracht van het bureau Bedaux De Brouwer is dat de twee architectuurrichtingen gebaseerd zijn op traditie, nauwkeurigheid, esthetica en tijdloosheid. De ene zacht van karakter en de andere ongenaakbaar (schraal).

Een perfecte bouwkundige uitvoering is logischerwijze van groot belang bij deze naakte bouwwijze, elke fout valt op. De Brouwer zegt te streven naar een zuivere architectuur. De suggestie dat er in die queeste invloeden van buitenaf niet voorkomen, wordt bij het zien van het werk tenietgedaan. Onmiskenbaar heeft het werk van De Brouwer wel een langere esthetische duurzaamheid dan vele actuele stromingen.

Het zoeken naar verstilling lijkt voort te komen uit het verlangen naar een rustpunt in hectische tijden. Zo ervaar je het ook in contact met de persoon Jacques de Brouwer – rustig, zoekend, bescheiden maar gedecideerd – werkend aan een sterk geconcentreerde of gecondenseerde bouwkunst, zonder de pretentie van eeuwigheidswaarde. De term ‘schraal’ van Ibelings is daarbij mijns inziens niet aan de orde, die is te zuinig en verwijst te veel naar het klooster, de architectuur van De Brouwer heeft een meer hedendaagse spiritualiteit. Het boek biedt een glimp van die rijkdom.