Feature —

What’s new pussycat?

Ingrid Commandeur

‘De waarde van het concept’ was het onderwerp van een debat dat op donderdag 6 januari bij de Premsela Stichting werd gevoerd door opponenten uit de wereld van de beeldende kunst, vormgeving en architectuur.

Er wordt de laatste tijd flink gediscussieerd over het status-quo van de Nederlandse vormgeving. Niet alleen door Nederlanders, ook Amerikanen hebben er graag iets over te melden. Neem het onlangs verschenen False Flat. Why Dutch Design is So Good? van Aaron Betsky en Adam Eeuwens. En ook Archis doet een duit in het zakje. In hun laatste nummer getiteld Archis is without a concept verscheen een bewerking van de Premsela lezing 2004, geschreven door de Amerikaanse ontwerper en designcriticus Michael Rock. In zijn essay Mad Dutch Disease beschrijft Rock Nederland ‘als een supervormgegeven staat met weinig manoeuvreerruimte’ waarin de vormgeving alleen nog maar naar zichzelf verwijst in een onophoudelijk proces van recycling ‘van het generieke, het bestaande, het al gedane’. Niet het auteurschap of het engagement van de vormgever staat centraal, lijkt Rock hiermee te willen zeggen, maar ‘het concept’. Nederlanders zijn dol op concepten. Reden voor Premsela om samen met Archis een debat te organiseren over ‘de waarde van het concept’, gezien vanuit drie disciplines: vormgeving, kunst en architectuur. Aan het woord waren kunstcritica Anna Tilroe (o.a. voor NRC Handelsblad), curator Rein Wolfs (hoofd presentaties Boijmans Van Beuningen), de architecten Sjoerd Soeters en Mels Crouwel (Rijksbouwmeester) en de grafisch ontwerpers Jan van Toorn (voormalig hoofd Jan van Eyck Academie) en Roelof Mulder.

Het wordt hoog tijd dat het begrip concept op de mestvaalt van de geschiedenis wordt gegooid, zo opende gespreksleider Ole Bouman het debat. Immers iedereen is het begrip concept gaan wantrouwen, het duidt in negatieve zin op ‘een gebrek aan ambacht en individualiteit; het verwijst naar een incrowd die lak heeft aan het publiek, het is te principieel, het is verworden tot een leeg verkooppraatje’, et cetera. Kunstcritica Anna Tilroe mocht hier als eerste op reageren met haar in Archis gepubliceerde statement Onveilig vrijen. Tilroe positioneert de kunst ten opzichte van de economie. Sinds de economie het concept als drager van een idee (en het vertoog rondom dat idee) van de kunst gekopieerd heeft, staat de positie van de beeldende kunst ter discussie. De kunst moet zich onderscheiden ‘niet door zich te isoleren in het academische vertoog van de kunstwereld, maar door haar ideeën en manieren van betekenisgeving te confronteren met die welke bepalend zijn voor de samenleving.’ Het is een ronkende zin die fantastisch klinkt, maar eigenlijk niets nieuws te melden heeft. Het debat over de relatie tussen kunst en maatschappij en het verwijt dat de kunst ‘te veel in haar ivoren toren’ blijft, wordt al jaren, bijna tot vervelends toe gevoerd.

Toch kreeg Rein Wolfs de volle laag. Hij maakte in Museum Boijmans van Beuningen een retrospectieve tentoonstelling van de kunstenaar Rirkrit Tiravanija ‘waar niets te zien was’, waarmee hij onmiddellijk verdacht werd van intellectuele ‘conceptmakerij’. Voor het gemak plaatste Tilroe het hele oeuvre van de kunstenaar in kwestie in de verdachte hoek, omdat zijn werk ‘alleen binnen het kunstcircuit functioneert, terwijl het wel de ambitie van maatschappelijke relevantie uitstraalt’. De vraag rijst welk actueel geproduceerd kunstwerk volgens moraalridder Tilroe wel het exclusieve keurmerk ‘maatschappelijk relevant’ verdient en volgens welke criteria? Omdat dit niet aan bod kwam, verviel het gesprek in een pseudo-discussie, waarin slechts cliché's te beluisteren waren: conceptuele kunst is intellectueel, hedonistisch en publieksonvriendelijk. Onzin natuurlijk, het gebruik van het concept in de kunst heeft een rijke en gelaagde geschiedenis die samenkomt in het brandpunt van de hedendaagse kunst. Hoe compliceer je dit op een intelligente manier zonder te vervallen in generaliseringen die makkelijk bekken? Daar gaat het om.

De architecten dan. Sjoerd Soeters positioneerde zich meteen als een fervent tegenstander van het concept binnen de architectuur. Het gebruik van concepten in de architectuur is nodeloze ballast die de architect er van weerhoudt gewoon goede, mooie en functionele gebouwen neer te zetten die het publiek wil. Architecten hebben zich laten verleiden mee te doen aan de ‘mallemolen van steeds nieuwe concepten afkomstig uit de design wiens onophoudelijke vernieuwing maar één doel heeft: steeds zelf een nieuwe markt creëren’. Verspilde energie die je beter kunt steken in goed bouwen, aldus Soeters. Mels Crouwel reageerde hier slechts flauwtjes op. Maar volgens onduidelijke maatstaven kende Anna Tilroe het concept in de architectuur opeens wel veel waarde toe, want ook tegen Soeters trok ze fel van leer: ‘Jij predikt hiermee een grijze middelmaat.’

De vormgevers bewezen uiteindelijk nog het makkelijkst om te kunnen gaan met de discussie over het concept in hun vak. Roelof Mulder onderschreef Tilroe’s doemdenkerij: zowel kunst als design zijn te veel in zichzelf gekeerd. Maar hij benadrukte ook dat de hoon die Droog Design ten deel is gevallen volkomen onterecht is, omdat de vercommercialisering van het concept ‘droog’ absoluut niet aan de makers zelf te verwijten valt. Maar het was Jan van Toorn die met wat substantiëlers kwam. Hij bekommerde zich net als Anna Tilroe over de maatschappelijke relevantie van zijn vak, maar omzeilde het clichématige ‘lege, in zichzelf gekeerd concept’ door de vormgever de regisseur te noemen ‘van een culturele productie die plaatsvindt binnen een steeds veranderend medialandschap’. Angsthazerij, pseudo-conceptualisme, commercialisering: het zijn inderdaad factoren waar zowel architecten, vormgevers als kunstenaars mee te maken hebben. Ieder voor zich moet hierbinnen een plan trekken, risico’s durven nemen en vernieuwingen durven aangaan. Het concept kortom als een permeabel membraan tussen de maatschappij aan de ene kant en kunst (want een Prada-tasje is nog steeds niet hetzelfde als een kunstwerk) en vormgeving aan de andere kant.