Recensie —

Architectuur voor zintuigen

Marina van den Bergen

Vogelgeluiden, Ricola snoep, een geur genaamd Rotterdam, studiemaquettes, materiaalmonsters, video-installaties: dit alles maakt onderdeel uit van de tentoonstelling ‘No. 250 an exhibition beauty and waste in the architecture of Herzog & de Meuron’ die nu te zien is in het Nederlands Architectuurinstituut.

Alles wat Herzog & de Meuron doet staat in het teken van experimenteren. In oktober 2002 opende in het Canadian Centre for Architecture in Montreal de tentoonstelling Herzog & de Meuron: Archeology of the Mind. Het door curator Philip Ursprung en Herzog & de Meuron bedachte concept gaf een antwoord op de immer gestelde vraag: hoe stel je architectuur tentoon wanneer je het originele object niet kan laten zien? Op de tafels in de tentoonstellingsruimten stonden geen presentatiemaquettes maar studiemaquettes, materiaalmonsters, stenen en schelpen. Aan de muren hingen geen doorsneden en plattegronden maar werken van Andy Warhol, Joseph Beuys en Gerard Richter. Iedere directe verwijzing naar gerealiseerde gebouwen werd vermeden. In plaats daarvan waren de inspiratiebronnen voor de gebouwvorm en de behandeling van het materiaal te zien. Archeology of the Mind was een 1:1 architectuurexpositie die vooral iets over de (ontwerp)houding van het bureau onthulde. Herzog en De Meuron noemen hun ontwerpbenadering fenomenologisch; de intuïtieve en onvoorwaardelijke ervaring van verschijnselen zoals die zich presenteren is het startpunt voor kennis. Ook de tentoonstelling in Montreal kenmerkte zich door een fenomenologisch uitgangspunt. Het concept werd door de meeste recensenten niet gewaardeerd: men beschouwde de expositie als te abstract: 'Time will tell if it turns out to be a minor contemporary art show or a landmark architectural exhibition' aldus David Theodore in Canadian Architect. Na Montrael zou Archeology of the Mind naar Pittsburgh en Rotterdam gaan. Of het door de matige kritieken kwam of omdat men de kunstwerken niet in bruikleen kon krijgen, de tentoonstelling ging niet op reis. Herzog & de Meuron maakte een nieuwe tentoonstelling: No. 250 an exhibition beauty and waste in the architecture of Herzog & de Meuron. Deze opende in mei 2004 in het door henzelf ontworpen Schaulager in Basel.

Deze tentoonstelling is nu, in verkleinde uitvoering, in het Nederlands Architectuurinstituut te zien. Een verschil tussen de tentoonstelling Archeology of the Mind en No. 250 is dat van de bezoeker intellectueel minder wordt verwacht en gevergd. Toch heeft Herzog & de Meuron vastgehouden aan het uitgangspunt dat architectuur niet tentoon te stellen is en doet ook met No. 205 een voorstel hoe architectuur dan wel gerepresenteerd kan worden. In de grote zaal van het NAi staan tafels vol met Beauty (het intrinsieke van het object) and Waste (dat wat het object ook is, namelijk het afvalproduct van een ontwerpproces) gerangschikt per project. Met name de tafels van recente projecten zijn rijk gevuld met studiemaquettes en materiaalmonsters, referentieplaatjes en -objecten. De relatie tussen de objecten op de tafel is – ook voor niet Herzog & de Meuron ingewijden – duidelijk, ze maken onderdeel uit van een ontwerpproces. Slechts terloops (en het lijkt met zekere tegenzin) wordt met een kleine snapshotachtige foto een relatie gelegd tussen de objecten op tafel en het uiteindelijke gerealiseerde gebouw. Op deze tentoonstelling is de architect niet de grote kunstenaar die in een eruptie van creatieve bevlogenheid in één streek de juiste vorm neerzet. Op de tafels is het eindeloze schaven en experimenteren te zien dat leidt tot de definitieve vorm, de uiteindelijk materialisering. Het afval van een ontwerpproces is – zeer consequent – niet beschermd; het materiaal kan betast, besnuffeld en beproefd worden.

Op de tentoonstelling is ook werk van verschillende kunstenaars te zien. Anders dan bij de expositie Archeology of the Mind wordt werk getoond van kunstenaars die een directe relatie hebben met Herzog & de Meuron. Zoals Thomas Ruff die werk van Herzog & de Meuron fotografeerde en Zilla Leutenegger en Armin Linke die video-installaties maakten waarin het werk van Herzog & de Meuron het decor vormt. Doel: architectuur op een andere manier beschouwen.

'We don't believe in entertaiment in art nor in architecture' stelde Jaques Herzog in een interview. Desondanks is de tentoonstelling No. 250 een vrolijk feestje: het Bronboek Schaulager weergegeven als Gerard Richters Atlas of Collages, Photographes, and Sketches, Zoete Dromen (Zwitserse prehistorische vondsten als Ricola zuurtjes, waar uitdrukkelijk bijstaat 'niet aanraken') en, serieus maar ook met een knipoog naar de glamour- en sterstatus van architecten, het parfum 'Rotterdam' dat ruikt naar Rijnwater, hasj, hond, bont, algen en mandarijn.

'No architect has ever been allowed to design a scent by a major house. Why? An architect's name may be well know in the media, but not in a way that the perfume houses think is valuable. Some day this may change because it makes sense and it is obvious that architecture is related to scents. Scents have a strong spacial and emotional effect on everybody' (Jaques Herzog in 1997).

De kans dat ooit een echte Herzog & de Meuron in Rotterdam gebouwd wordt is, vanwege de Hollandse bouwbudgetten, klein en denkend aan de gebouwen van Renzo Piano en Norman Foster misschien ook niet wenselijk. Maar lopend door Rotterdam zal de bezoeker van de tentoonstelling No. 250 de geur van de stad voor altijd associëren met Herzog & de Meuron; beter een geur en een mooie herinnering aan een tentoonstelling dan een pastiche.