Feature —

Grensbewaking of grensverkeer?

Arjen Oosterman

Moet architectuurgeschiedenis (nog steeds) over de betekenis van het architectonisch object gaan? Beperkt de vakgemeenschap zich niet te veel tot het genre van de monografie? En richt het werkveld de aandacht niet te eenzijdig op de westerse architectuurproductie van blanke mannen?

Het zijn vragen waar een beetje in architectuur geïnteresseerd persoon niet bepaald wakker van zal liggen, maar die een gezelschap architectuurhistorici toch twee dagen in de ban wist te houden. De tweede (Nederlandse) Architectuurhistorische Landdag, ditmaal in Leiden op 28 en 29 januari, had ‘de grenzen van de architectuurgeschiedenis’ tot thema. Een keur aan Amerikaanse en Engelse professoren en een enkele minder hoog gekwalificeerde Nederlander deed in lezingen verslag van haar of zijn vakuitoefening, waarna beleefde vragen werden gesteld en zich een bescheiden discussie ontwikkelde met een zaal van circa 60 personen. De enige Nederlandse hoogleraar in het rijtje sprekers, Aart Mekking (Leiden), propageerde meteen maar een universeel comparatief systeem, waarmee de gehele architectonische wereldproductie op betekenisniveau bestudeerd zou moeten kunnen worden. Nog naduizelend van antropomorfe, sociomorfe en fysiomorfe tradities van betekenisverlening, die weer gekruist zouden moeten worden met vijf hoofdthema’s als de axis mundi of ‘the horizons of life’ zette Nancy Stieber (University of Massachusetts) als redacteur van het prestigieuze Journal of the Society of Architectural Historians het gezelschap weer met beide benen op de grond. Het ruim zestig jaar oude JSAH bleek als poortwachter van echte architectuurgeschiedenis vol eenzijdige voorkeuren (westerse gebouwen uit het architectonisch topsegment, Amerikaanse thema’s, witte manlijke onderzoekers en redacteuren)  te zitten en slechts schoorvoetend een breder perspectief op de wereld en op toe te laten thema’s te ontwikkelen. Het verhinderde Stieber niet terloops op te merken dat sommige thema’s toch echt alleen door ‘cultuureigen’ onderzoekers ontrafeld kunnen worden, wat het vertrouwen in de universele methodiek van Mekking verder ondermijnde, hoeveel linguïstische en niet-westers antropologische hulptroepen hij ook instelling bracht.

Vrolijker kon je worden van Hans Renes (Utrecht), die als historisch geograaf een multidisciplinaire aanpak bepleitte en graag architectuurhistorische kennis en methoden betrok in zijn veldonderzoekingen. Of van Dana Arnold (University of Southampton) maar dan vooral door haar aanstekelijke manier van vertellen. Want haar waarschuwing dat het ‘gender-perspectief’ (lees: vrouwenstudies) een vrijwel even grote valkuil is als het aloude westers-koloniale (lees: western white male) perspectief was hoewel niet schokkend natuurlijk op zich wel correct, maar het leverde geen zicht op een uitweg op.

Negentiende-eeuwspecialist Barry Bergdoll (Columbia university) kon aannemelijk maken dat binnen het monografisch genre (Weinbrenner, Vaudoyer, Schinkel) intelligente innovatie en perspectiefvernieuwing mogelijk is, terwijl Hélène Lipstadt (MIT) met een lezing over Pierre Bourdieu mooi de kwestie van de schatplichtigheid aan, dan wel relatie met, sociologie te pakken had. Overigens ook al geen nieuwe kwestie, maar immer actueel.

Toch vermocht het de nationale vakgemeenschap niet te boeien, want van de verschillende architectuurhistorische instituten was vrijwel geen kader naar Leiden afgereisd. En dat terwijl de bijeenkomst evenzeer bedoeld was om het lopende en te ontwikkelen onderzoeksprogramma tegen het licht te houden. Maar in de pikorde van kunst- en architectuurhistorische instituten wordt de dienst uitgemaakt door VU, Groningen en UvA (nog een beetje), dus ga je natuurlijk niet in Leiden netwerken. Volgend jaar in Groningen is het vast volle bak.

Maar wat is nu eigenlijk het probleem? Wie wel eens een blik in, ik noem maar een tijdschrift, Archis werpt, weet dat het uitwisselen van gezichtspunten en inzichten met denkers en onderzoekers uit andere culturen geen nieuwigheid is, dat naast het vertrouwde instrumentarium van stijl, iconologie, typologie en morfologie een veelheid aan andersoortige perspectieven wordt gehanteerd om de productie van ruimte te bevragen, dat de kerk, het stadhuis en het museum niet langer de toetssteen voor de kern van de architectonische discipline zijn, en dat de ontwerper als auteur niet het enige gezichtspunt op de gebouwde productie vormt. En wie de gestage stroom architectuurhistorische literatuur die in dit land wordt geproduceerd volgt, krijgt ook niet de indruk dat er sinds Tafuri, Rossi en Foucault nooit meer is nagedacht, of dat het modernisme nog steeds de enige waarheid over de nationale architectuurproductie belichaamt. Het is wel een feit dat de productie van synthetisch werk hier zeer weinig gepassioneerde beoefenaren kent en dat het schrijven van dikke boeken liever aan architecten wordt overgelaten.

Als, zoals op de bijeenkomst werd gesteld, de belangrijkste discussie niet zou moeten zijn, of en hoe het vak zijn grenzen moet verleggen, maar hoe het de belangstelling van andere disciplines weet te wekken in eigen methoden en productie, dan verkeert het vak inderdaad al lange tijd in crisis. Want het isolement van de verschillende universitaire instituten ten opzichte van tal van maatschappelijke en wetenschappelijke vragen en actoren is nog altijd aanzienlijk en de brug naar de architectenopleidingen en het architectuuronderzoek aldaar is nog altijd niet geslagen. En dat is meteen de achilleshiel van de hele opvatting die schuil gaat achter het woordje DE uit de titel ‘de toekomst van DE architectuurgeschiedenis’. Want daarmee wordt exclusief de beoefening binnen de universitaire muren bedoeld, terwijl het veld van beoefening en uitwisseling inmiddels drastisch verbreed is. Alleen al binnen de universiteiten zelf hebben de architectuurhistorische afdelingen geen monopolie meer op de bestudering van architectuurhistorische fenomenen en objecten en daarbuiten al helemaal niet meer (gelukkig). Let op mijn woorden (read my lips): de positie van de JSAH als poortwachter van DE discipline heeft zijn langste tijd gehad. En dan bedoel ik niet eens dat een Chinese tegenhanger die macht zal gaan overnemen.