Recensie —

ZZDP & EGM

Paul Groenendijk

Aan het begin en het eind van 2004 verschenen er boeken over twee grote architectenbureaus met een eerbiedwaardige traditie: EGM en ZZDP. Ondanks de abstracte namen is er bij beide bureaus sprake van één belangrijke ontwerper: Joost Boks (1904-1986) en Piet Zanstra (1905-2003). Beiden startten in de jaren dertig een eigen bureau, dat in de wederopbouw tot grote omvang uitgroeide.

Sinds de jaren zeventig behoren zowel EGM als ZZDP tot de grootste en meest productieve Nederlandse architectenbureaus. Beide boeken zijn verschenen bij Uitgeverij 010 en hoewel ze voorzien zijn van een inleiding verzorgd door een kunsthistoricus is het duidelijk dat deze boeken vooral als bureaudocumentatie en visitekaartje van het huidige bureau zijn bedoeld. Dit is echter op geheel verschillende wijze uitgewerkt.

In het boek EGM Architecten besteedt Gerda ten Cate uitgebreid aandacht aan de ontwikkeling van het architectenbureau Eijkelenboom Gerritse Middelhoek en leven en werk van de beide grondleggers van het bureau: Rotterdammer Joost Boks en Dordtenaar Gerrit Gerritse. Boks is vooral bekend van het Bouwcentrum, met name het zestienhoekige tentoonstellingsgedeelte uit 1949. Helaas is dit gebouw een incident, want zijn latere werk bestaat grotendeels uit varianten op de tweede fase van het Bouwcentrum: solide, maar nogal saaie dozen van baksteen en beton. Hotel Britannia in Vlissingen met een keramisch kunstwerk van Louis van Roode is een gunstige uitzondering. Eijkelenboom en Middelhoek werkten in deze sobere stijl door. Gerritse is een typisch voorbeeld van een plaatselijk architect, die langzaam met de nieuwe ontwikkelingen in de architectuur meegaat. Hij specialiseerde zich in gebouwen voor de gezondheidszorg. In de jaren zeventig waait het bureau met de kleinschaligheidswind mee, om eind jaren tachtig met een aantal nieuwe, jonge architecten als Bas Molenaar, Freek Prins en met name Jeanne Dekkers en Rob van Erk weer tot een aanvaardbaar niveau te komen. Het werk van deze architecten is divers en mist een eigen signatuur, maar dat is in feite altijd het geval bij dergelijke grote architectenbureaus. In het boek zijn 88 werken gedocumenteerd, verdeeld over de gehele bureaugeschiedenis van 1926 tot heden, met een lichte nadruk op het recente verleden. De biografieën met portretfoto’s achterin het boek zijn duidelijk opgezet om de huidige architecten te benadrukken.

Het boek ZZDP Architecten-Ondernemers oogt ook als een degelijk overzichtswerk, maar is wel heel sterk vanuit het hedendaags perspectief samengesteld. De eerste Z van ZZDP staat nog steeds voor Piet Zanstra, een van de meest productieve architecten uit de wederopbouw. Aan zijn werk tussen 1932 en 1966 zijn slechts 36 van de 224 pagina’s gewijd, alsmede nog 18 pagina’s aan de periode 1966-1980, toen het bureau de weinig soepele naam Zanstra, Gmelig Meyling en De Clercq Zubli hanteerde. De diverse incarnaties van het wel eens als ZZ & de Maskers betitelde bureau kregen aanzienlijk meer ruimte: 30 pagina’s ZZOP (1980-1990), 58 pagina’s ZZ+P (1990-2002) en 40 pagina’s ZZDP (2002-). De D staat overigens voor Joris Deur. De onbalans is uit deze cijfers direct duidelijk. Daar komt nog bij dat het werk van Zanstra tot ca. 1970 verreweg het meest interessant is. Uit de oeuvrelijst blijkt dat vrijwel alle werken uit deze periode in de vakpers zijn gepubliceerd, terwijl de meeste latere gebouwen niet zijn besproken en hooguit voorkomen in Stedenbouw of vastgoedblaadjes. Werken van ZZDP zijn nog niet gepubliceerd.

De inleidingen over de verschillende periodes van het bureau zijn summier en bieden weinig nieuwe inzichten. Zanstra staat bekend als ontwerper van grootschalige woningbouwcomplexen en kantoorgebouwen. De vraag waarom juist het werk van Zanstra zoveel weerzin oproept dat men het bij voorkeur sloopt wordt gesteld noch beantwoord. Het Maupoleum en de uitbreiding van het Haagse stadhuis zijn inmiddels door de sloophamer geveld en de kerk ‘Het Open Hof’ in Ommoord staat ook op de nominatie. Hoe passen die kerken in Amsterdam, Rotterdam en Alkmaar trouwens in het zakelijke oeuvre van deze ondernemende architect? En hoe komt het dat de grootschalige woningbouwprojecten van Zanstra in Den Haag (Mariahoeve, Sportlaan, Duttendel, Escamplaan) wel geliefd zijn en nog steeds tot de meest geliefde wooncomplexen behoren?

In het prachtig uitgegeven boek is hierover niets terug te vinden. Het boek spitst zich toe op het ondernemerschap van het bureau. Het is een illustratie van dit ondernemerschap, want het is in feite niet meer dan een luxueus uitgevoerde bureaudocumentatie van het huidige bureau. Iets wat overigens voor veel recent verschenen monografieën geldt. Het kan ook anders. Bij het boek over EGM, in feite natuurlijk ook een bureaudocumentatie, is de balans tussen heden en verleden beter uitgevallen.