Recensie —

Architectuur als decor: Silent Collisions

Pauline van Roosmalen

Zondag 6 maart beleefde de dansvoorstelling ‘Silent Collisions’ zijn Nederlandse première in Het Muziektheater in Amsterdam. Deze titel herinnert architecten ongetwijfeld aan de tentoonstelling die het NAi in 1999 presenteerde over het werk van Thom Mayne en zijn bureau Morfosis.

Tussen de tentoonstelling en de voorstelling die nu in Het Muziektheater te zien is, bestaat inderdaad de relatie die men vermoedt. De voorstelling Silent Collisions is namelijk een samenwerking tussen Mayne en de Waalse choreograaf Frédéric Flamand. Sterker nog, het was de tentoonstelling in het NAi die Flamand inspireerde tot deze choreografie die hij op uitnodiging van de Architectuur Biënnale van Venetië in 2003 maakte ter gelegenheid van de opening van het eerste Internationale Moderne Dans Festival dat eveneens dat jaar in Venetië plaats vond.

Het toneelbeeld dat Mayne voor de dansvoorstelling ontwierp bestaat uit stalen panelen bespannen met wit doek. Aan weerszijden van het toneel zijn in elkaars verlengde drie rechthoekige panelen geplaatst die tot halverwege de toneelopening komen. Door de panelen enigszins binnen de lijst van de toneelopening te plaatsen en geen coulissen te gebruiken, functioneren ze als de afbakening van het toneel. Een afbakening die overigens speling toestaat omdat de panelen naar het toneel toe, of er van af kunnen scharnieren. Ruimte tussen de panelen biedt dansers de mogelijkheid het toneel te betreden en te verlaten. Het toneel wordt horizontaal begrensd door panelen die bovenop de zijpanelen zijn bevestigd. Deze overspannen de hele toneelopening en kunnen eveneens door middel van kabels in diverse hoeken ten opzichte van de zijpanelen – en dus de vloer – worden gepositioneerd. Een ruimtelijk effect dat wordt versterkt doordat ieder horizontaal paneel uit twee delen bestaat die ieder afzonderlijk om hun diagonale- of breedte-as kunnen worden gemanipuleerd.

Tussen dit decor bewegen zich de dansers van het gezelschap van Flamand – oorspronkelijk het gezelschap Charleroi/Danses-Plan K maar sinds zijn benoeming tot artistiek leider in Marseille het Ballet National aldaar. Ofschoon qua bewegingsmateriaal weinig opzienbarend, slaagt Flamand er in Silent Collisions in zijn dansers te laten reageren op en een interactie te laten aangaan met de per scène veranderde ruimte. Deze synergie in combinatie met het lichtontwerp en de beeldprojecties resulteren in een welhaast caleidoscopische voorstelling en een geslaagde theatrale interpretatie van de roman De onzichtbare steden van Italo Calvino, de inspiratie voor deze voorstelling.

De vraag is echter of het relevant is te weten dat De onzichtbare steden de inspiratie vormde voor Silent Collisions. Is het relevant voor de ervaring van een theaterbezoeker te weten dat Flamand zich voor de ‘labyrintische dans’ die de stad Zobeide verbeeldt heeft laten inspireren door ‘een digitale scenografie van Marco Possi voor la Visione dell’Invisibile, een expositie bij de Triënnale van Milaan die was opgedragen aan Italo Calvino’? Voegt het iets toe als je leest dat Calvino schreef ‘In Eudossia, dat zich in de hoogte en in de laagte uitstrekt, met kronkelige straatjes, trappen, doodlopende stegen, krotten, wordt een tapijt bewaard waarop je de ware vorm van de stad kunt aanschouwen’ en dat Flamand dat in zijn voorstelling vertaalt als ‘De structuur (van Mayne, PvR) ontvouwt zich en maakt plaats voor de projectie van een denkbeeldig tapijt. De sporen van de dansers die live worden gefilmd gaan de dialoog aan met de levende lichamen van de dansers. Licht, lichamen en gedachten; vele stedelijke ervaringen waar snelheid en verandering het ritme van de stad en haar inwoners dicteren’?

De lichte vorm van irritatie die ik altijd moet onderdrukken bij het lezen van inspiratiebronnen en hun interpretatie, stak ook hier de kop op. Maar gelukkig pas na de voorstelling. Vanwege de in mijn beleving vaak weinig geslaagde dansante interpretaties van inspiraties had ik De onzichtbare steden niet nogmaals ter hand genomen en me evenmin verdiept in de interpretatie die Flamand er aan teksten gaf. Had ik dat wel gedaan dan had ik de voorstelling met andere ogen bekeken en was ik mogelijk tot een minder positief oordeel over de voorstelling gekomen. Wat ik nu zag was een evenwichtig voorstelling waarin lyrische, rustige dans- en decorbeelden afgewisseld werden met meer dynamische en luidruchtige scènes, waarin elektronische en akoestische (viool-) muziek werd afgewisseld en gecombineerd met bandopnamen, waarin de beeldprojecties en zeker het decor – maar waarom zou je anders een architect van naam uitnodigen – letterlijk een dimensie aan de voorstelling toevoegde. De vraag of en hoe die beelden Calvino’s teksten belichaamden kwam tijdens de voorstelling geen enkele moment bij me op. Dat werd pas een kwestie toen ik na afloop van de voorstelling de beelden die ik gezien had vergeleek met Flamand’s interpretaties van Calvino’s teksten; die bleken inderdaad herkenbaar in de voorstelling. Of Flamand Calvino recht doet zou een volgende vraag kunnen zijn. Maar dan beland je in een debat waarin ik als theaterbezoeker nauwelijks geïnteresseerd ben. Waar ik wel in geïnteresseerd ben, is de vraag of Flamand een interessante dansvoorstelling heeft gemaakt en of de bijdrage van Mayne deze op een ruimtelijk hoger niveau heeft getild. In mijn optiek is dat het geval: de robuuste maar teer-ogende structuur die Mayne heeft ontworpen en de creatieve manier waarop Flamand deze in zijn voorstelling integreert met dans, beelden en geluid leveren wat mij betreft een fraaie en boeiende dansvoorstelling op.