Feature —

De Limes: een (on)zichtbare grens

Joep Hendriks

De limes is hot. In Utrecht werd onlangs de video-installatie Limes@Flumina geopend, in het kader van het project ‘Strategieën en ontwerpvisies voor de Romeinse Limes’, dat wordt uitgevoerd door het Stimuleringsfonds voor Architectuur in samenwerking met het Projectbureau Belvedere.

In de provincies Gelderland, Utrecht en Zuid-Holland lopen momenteel tal van projecten die verband houden met de limes, er komt een Limes Atlas uit en er bestaat zelfs een website. Daarnaast is in de afgelopen jaren een aantal Romeinse schepen langs de limes ontdekt en opgegraven, waaraan in de media veel aandacht is geschonken. Maar wat is die limes nu eigenlijk precies?

Het zuidelijke deel van Nederland hoorde sinds de Gallische Oorlog van Julius Caesar vanaf midden van de 1ste eeuw vóór Chr. officieel bij het Romeinse rijk. Pas ten tijde van keizer Augustus in de decennia rond het begin van de jaartelling startten de Romeinen met een offensieve politiek om vanuit  het gebied ten zuiden van de Rijn, het vrije Germanië (Noord-Nederland en grootste deel van Duitsland) te veroveren. De verschillende campagnes verliepen echter niet bepaald succesvol en rond 47 AD werden de troepen door keizer Claudius teruggeroepen tot achter de Rijn. In plaats van een open grenszone was er nu sprake van een gesloten grens die paste bij de nieuwe defensieve politiek. Deze rijksgrens, die wij kennen als de limes en dat zowel de grens an sich als een grensweg aanduidt,  liep in de Romeinse tijd langs de (Oude, Kromme en Neder-)Rijn.

Het uiterlijk van deze limes verschilde al naar gelang de landschappelijke situatie. In tegenstelling tot Zuid-Duitsland of Noord-Engeland (Hadrian's Wall) werd de limes in 'Neder-Germanië' niet beschermd door een wal of muur. Hier was de limes een 'natte' grens en was de Rijn zelf de eerste verdedigingslinie. Vanaf het midden van de 1ste eeuw begon het Romeinse leger met de aanleg van de grensweg op de relatief smalle strook van oeverwallen en stroomruggen direct ten zuiden van de Rijn. Hierlangs werden op regelmatige afstand legerkampen opgericht, vaak op plekken waar een rivier vanuit het noorden of zuiden in de Rijn uitmondde. Zo'n legerkamp ofwel castellum, was geen echt fort maar eerder een versterkt troependepot, voorzien van (droge) grachten en, in eerste instantie, een hout/aarde wal met houten torens en poorten. Het binnenterrein varieerde van ca. 1 tot 2,5 ha en bood ruimte aan de hulptroepen van het leger die belast waren met de grensbewaking. Tussen de castella bevonden zich op regelmatige afstand wachttorens en soms minicastella. De limes die al deze elementen verbond was soms met grind verstevigd, maar in het natte westen vaak met hout bekist en langs de Rijnkant van beschoeiingen voorzien. Na de Bataafse opstand in 69-70 AD werden de castella langs de Rijn grotendeels herbouwd en in Nijmegen werd zelfs een legioenskamp, de castra, opgericht. Dit legerkamp moest de castella ondersteunen in hun bewaking van de limes en tevens de rust in het achterland bewaren.

In dit achterland leefde de inheemse bevolking vaak in nauwe samenhang met de hulptroepensoldaten uit de castella. Op grote schaal vond er uitwisseling van goederen en ideeën plaats; dit is niet verwonderlijk want een deel van de mannelijke inheemse bevolking diende ook in het leger en er woonden en werkten inheemse niet-militairen in de kampdorpen, de vici, net buiten de castella. In de tweede helft van de 2de eeuw en de 3de eeuw werden de meeste castella versteend, waarvoor de Rijn als een transportroute werd gebruikt. Toen tegen het einde van de 3de eeuw de gehele Romeinse rijksgrens aan Germaanse invallen ten onder ging, werd ook het 'Nederlandse' deel van de limes ontmanteld. In de 4de eeuw ondernamen keizers als Constantijn de Grote en Valentinianus nog pogingen om de limes langs de Rijn, die onder zware druk stond van 'overrijnse' Germaanse groepen, te herstellen, maar in het begin van de 5de eeuw viel het Romeinse gezag definitief weg en hield de limes definitief op te bestaan.

Tegenwoordig is er van de limes in ons land nauwelijks meer iets te zien. Het oostelijke deel van de limes is grotendeels verspoeld door de Rijn die telkens zijn bedding verlegde. Ten westen van Wijk bij Duurstede zijn grote delen ervan bedekt met lagen klei of zand. Daarnaast heeft de mens vanaf de vroege Middeleeuwen dankbaar gebruikgemaakt van de castella, als steengroeve en bewoningskern. De relatief hoog in het landschap gelegen locaties waren in het westelijke veen- en Rijnmondingsgebied ideaal om op te wonen. Niet voor niets liggen bijvoorbeeld de kerken in het centrum van Utrecht, Woerden, Alphen en Valkenburg (nagenoeg) binnen de omwalling van een Romeins castellum.

Dit is ook de reden waarom we nu toch nog zoveel van de limes terugvinden. De zone langs de Rijn is nog steeds interessant om te bewonen en als er bijvoorbeeld een Vinexwijk of parkeergarage wordt aanlegd, kunnen er resten van een castellum, de limesweg of een afgemeerd schip aan het licht komen. Vanaf het begin van de 20ste eeuw is onze kennis van de limes door opgravingen toegenomen en in de laatste tien jaar is nogmaals gebleken dat de natte conserveringsomstandigheden uniek zijn, getuige de schepen en wegdelen in bijvoorbeeld Vleuten-De Meern. Hierdoor is het mogelijk een beeld te schetsen van de limes en de omgang daarmee door de eeuwen heen. Het landschap van de limes is uiterst dynamisch en dat vereiste, en vereist, een voortdurende inpassing van deze elementen in onze leefomgeving. Dit maakt het ook de moeite waard om delen van de limes in ons 21ste-eeuwse landschap weer zichtbaar te maken, ingepast in de huidige ordening van onze ruimte.