Recensie —

Drie museumboeken, van handleiding tot plaatjesboek

Jeroen Mensink

Drie boeken over musea: een Duits boek met voornamelijk Duitse voorbeelden, een Spaans boek met opvallend veel Zuid-Europese en Latijns-Amerikaanse voorbeelden en een Delfts boek met hoofdzakelijk Delftse auteurs.

Wie een museum gaat ontwerpen, heeft vele vragen ter overpeinzing. Wat is, om te beginnen, eigenlijk een museum? Etymologisch is het woord museum te herleiden tot het Grieks en betekent zoiets als 'plaats voor de muzen' en daar is in de loop van de geschiedenis op verschillende manieren vorm aan gegeven. Sommigen zien het museum vooral als archief, anderen als (inter-)nationaal geheugen of als plaats waar kunstenaars zich actief kunnen wijden aan de muzen.

Het museum zoals we dat nu kennen, begon in de middeleeuwen voorzichtig vorm te krijgen als privé-verzameling, bedoeld ter representatie van de status van de bezitter. Collecties kregen gaandeweg meer en meer een openbaar karakter. Eerst alleen toegankelijk voor kunstenaars en kenners, vanaf de 19e eeuw ook voor een groter publiek. Verbreiding van verlichtte ideeën over de mens maakte dat het museum gezien werd als plaats voor educatie. Het museum werd al snel beschouwd als het cultureel bewustzijn van de natie.

Het van oorsprong Duitse boek heet in de engelse vertaling Museum Building, a design manual en is uitgegeven door Birkhäuser. In het eerste deel van het boek wordt systematisch een aantal thema's besproken die voor het ontwerpen van musea relevant zijn.

Het boek start met een historische beschouwing over het museum als instituut, het museum als gebouw en de, wat ouderwets geformuleerd, semantiek van de museumarchitectuur.

De historische analyse in het boek, van de eerste Griekse voorbeelden van schatkamers, via werkplaatsen voor kunstenaars tot ruimten bedoeld voor verzamelingen, leidt tevens langs de relevante vragen en a-priori uitgangspunten die lijken te gelden voor het hedendaagse museum. Een van de actuele vragen is of het museum primair voor educatie of voor vermaak bedoeld is. Het beleid van de meeste musea in Nederland laat zich eenvoudig door één van deze beide begrippen karakteriseren.

Fascinerend is de opsomming van de verschillende opvattingen over de wijze waarop kunstwerken getoond dienen te worden. Eind 19e eeuw werd een huiselijke ambiance in musea nagebootst om kunst te tonen, daarna de sfeer van het atelier van de kunstenaar en vervolgens de steriele witte ruimten waarin tot vandaag de dag wordt geëxposeerd.

Een terugkerend thema is de mate van dienstbaarheid van het museumgebouw. Mag het museum zelf een kunstwerk zijn en de aandacht opeisen, eventueel zelfs ten koste van de kunst? Of moet een museum zich aanpassen aan de geëxposeerde werken, zodat een museum voor Gotisch kunst zelf ook 'Gotisch' moet zijn, zoals wel gedacht werd in de 19e eeuw? Of subtieler, zoals Scarpa daar vorm aan gaf in bijvoorbeeld Museo Castelvecchio in Verona, wel aangepast en op maat gemaakt voor de voorwerpen, maar met een eigen architectonische uitdrukking. Of hoort een museum gewoon een neutrale doos te zijn, geheel in dienst van de kunst, zonder eigen uitdrukking, zoals veelvuldig wordt verkondigd?

Het tweede deel van het boek bestaat uit een uitvoerige bespreking van ruim 70 musea, jong en oud, bekend en minder bekend en gerangschikt naar ruimtelijk archetype. Musea worden onderverdeeld op basis van de dubieuze classificatie 'directed sequences of rooms', 'matrix-like arrangements of rooms', 'open plans', 'free-form spaces' of 'conversions and extensions of Architectural Monuments'. Alle plannen worden degelijk gedocumenteerd met foto's, plattegronden en doorsneden.

Het boekje Museums for the 21st century, formaat Arcam Pocket, is uitgegeven door het Spaanse GG. Hierin worden hoofdstukken onderscheiden en musea verdeeld naar architectonische kenmerken. Niet zozeer om tot een alles verklarende categorisering van de wereld te komen, maar meer om de kleurrijke foto's (op een schets van Niemeyer en Le Corbusier na is in dit boekje geen enkele tekening opgenomen!) te kunnen rangschikken. Musea worden in dit boekje ondergebracht onder, bijvoorbeeld, 'the evolution of the box', 'the self-involved museum', 'the museum as a collage of fragments' en 'the anti-museum'. Deze uitgave toont alle voor de hand liggende voorbeelden. De enige verrassing is de overwegend Zuid-Europese en Latijns-Amerikaanse keus van de samensteller.

Het Delftse boek, Musea: idee & architectuur verscheen bij SUN en is tot stand gekomen onder redactie van Emilios Chlimintzas. Gebaseerd op het Delftse concept van de 'plannenmap' worden 20 musea gedocumenteerd. Daaraan zijn een aantal artikelen van, voornamelijk, auteurs van de TU Delft als introductie toegevoegd. De inleiding van de van oorsprong Griekse redacteur, een pleidooi voor een antimodieuze houding, laat geen gelegenheid onbenut om naar de Griekse oorsprong van museumarchitectuur te wijzen. De 20 musea zijn rijkelijk gedocumenteerd en van een heerlijk ongegeneerd subjectief commentaar voorzien.

Wat valt te zeggen over de bonte verzameling musea en de willekeur aan indelingscategorieën die uit deze drie boeken spreekt? Onder meer dat typologie geen relevant instrument meer is om hedendaagse musea te beschrijven, zoals valt op te maken uit de benamingen die de auteurs voor hun typen hebben verzonnen. Al sinds de jaren '70 lijkt de lineaire ontwikkeling van het museum als gebouwtype definitief ten einde, ingeluid door de Neue Staatsgalerie in Stuttgart. En sinds de jaren '90, waarin vooral de architectonische ambitie van het museum voorop lijkt te staan (denk aan het Guggenheim Bilbao), is het onderbrengen in typen al helemaal ondoenlijk.

Rest nog één laatste, fundamentele vraag: is het museum eigenlijk nog wel de juiste plek voor het tonen van (hedendaagse) kunst, nu steeds meer kunstenaars en kunstvormen zich aan museale ruimten onttrekken? Hedendaagse kunst bestaat bovendien vaak uit (video)projecties die vragen om zogenaamde 'black cubes', verduisterde afgesloten ruimten voor het afspelen van beeld én geluid. Zelfs recent ontworpen musea lijken daar nog maar nauwelijks op ingesteld. De architectuur kan de ontwikkelingen in de kunst blijkbaar niet bijbenen. Wellicht dat de ontwerpers van onze toekomstige musea tenminste voor deze nieuwe kunstvorm een bevredigende oplossing kunnen bedenken.